Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2013-10-16
ECLI:NL:RBZWB:2013:7500
Bestuursrecht
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Procedurenummer AWB 13/15 uitspraak van 16 oktober 2013 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 23 november 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 29 februari 2008 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.8502). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigden][gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Arnhem, en namens de inspecteur, [verweerder]. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2Gronden 2.1. Belanghebbende vormt het bestuur van een rooms-katholiek religieus instituut. Belanghebbende heeft op eigen grond een nieuw verpleeghuis laten bouwen. Het verpleeghuis is verhuurd aan een zorginstelling en in mei 2006 voor het eerst in gebruik genomen. De verhuur was vrijgesteld van omzetbelasting. 2.2. De inspecteur heeft op 24 april 2008 een naheffingsaanslag in omzetbelasting van € 151.745 aan belanghebbende opgelegd ter zake van de levering van genoemde onroerende zaak op grond van artikel 3, eerste lid, letter h, (tekst tot 2007) van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB; de integratielevering) . 2.3. Het verpleeghuis is bij notariële akte van [datum] 2008 geleverd aan de zorginstelling. Deze levering was op grond van artikel 11, eerste lid, letter a, ten eerste, Wet OB van rechtswege belast met omzetbelasting. Belanghebbende heeft met een beroep op de herzieningsregeling (artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, hierna ook: de Uitvoeringsbeschikking) verzocht om teruggaaf van de aan haar in verband met de bouw van het verpleeghuis in rekening gebrachte voorbelasting. Op 18 april 2008 is een teruggaaf verleend van € 1.333.465. Deze teruggaaf is door de inspecteur berekend uitgaande van de ter zake van de integratieheffing zoals vermeld in 2.2 verschuldigde omzetbelasting. Op dat moment stond die heffing nog niet onherroepelijk vast. 2.4. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 juli 2010, nr. 08/4546, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2814, de onder 2.2 vermelde naheffingsaanslag vernietigd, omdat belanghebbende ter zake van de ingebruikneming van het verpleeghuis in mei 2006 een beroep kon doen op de goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 1994, nr. VB94/3619 (Mededeling 26). Die goedkeuring hield in dat de integratieheffing achterwege kon blijven, mits werd afgezien van de aftrek van de op de bouw betrekking hebbende omzetbelasting. De inspecteur heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de teruggaaf van 18 april 2008 op een te hoog bedrag was vastgesteld omdat die was gebaseerd op het bedrag van de integratieheffing. Nu de rechtbank had beslist dat belanghebbende mocht afzien van die integratieheffing en belanghebbende dat ook heeft gedaan, heeft de inspecteur de teruggaaf nader berekend uitgaande van het bedrag van de omzetbelasting dat belanghebbende in rekening is gebracht ter zake van de leveringen en diensten met betrekking tot de bouw van het verpleeghuis en heeft om die reden een naheffingsaanslag van € 118.867 opgelegd. 2.5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hetgeen partijen verdeeld houdt is of ingeval belanghebbende ervoor kiest de integratielevering buiten toepassing te laten en aldus de op de desbetreffende onroerende zaak drukkende omzetbelasting wordt beperkt tot de niet in aftrek gebrachte omzetbelasting op levering en diensten met betrekking tot de bouw, belanghebbende bij de toepassing van de onderhavige herzieningsregeling nochtans mag uitgaan van de situatie als zou een integratielevering hebben plaatsgevonden, 2.6. Belanghebbende stelt dat voor de herziening van de op het verpleeghuis drukkende omzetbelasting uitgegaan moet worden van het wettelijk systeem, derhalve van heffing met toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel h, Wet OB. Daarvan uitgaande is de teruggaafbeschikking juist. De inspecteur stelt dat uitgegaan moet worden van de daadwerkelijk ter zake van de bouw in rekening gebrachte c.q. betaalde omzetbelasting nu belanghebbende gebruik heeft van de mogelijkheid toepassing van genoemde wetsbepaling achterwege te laten. Voor het geval de inspecteur in het gelijk wordt gesteld, is niet in geschil dat de naheffingsaanslag op het juiste bedrag is berekend. 2.7. De herzieningsregeling van artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking heeft als doel en strekking dat de aftrek van voorbelasting met betrekking tot een onroerende zaak in de negen jaren na dat van de ingebruikneming ervan kan worden herzien. Daartoe voorziet die bepaling, in aansluiting op artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking in een wijziging van het verhoudingsgetal (pro rata) van aftrekbare en niet-aftrekbare voorbelasting als een wijziging van het gebruik ten opzichte van het jaar van ingebruikneming daartoe aanleiding geeft. Doel en strekking van deze herziening is niet een wijziging van de grondslag die voor de oorspronkelijke aftrek in aanmerking is genomen. Een andere opvatting zou ook tot ongerijmde resultaten leiden, zowel ten voordele als ten nadele van de belastingplichtige. Een en ander geldt mutatis mutandis ook voor het bepaalde in artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking, dat een aanvulling op de regeling van artikel 13 vormt. 2.8. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de in Mededeling 26 neergelegde goedkeuring, inhoudend dat zij ter zake van de aanwending van het verpleeghuis voor de van omzetbelasting vrijgestelde verhuur geen omzetbelasting behoefde te voldoen ter zake van de in de Wet OB voorziene integratielevering. De voorwaarde daarvoor is dat belanghebbende afzag van de aftrek van de voorbelasting die betrekking had op de totstandkoming van het verpleeghuis. Het gevolg van een en ander is dat de op de onroerende zaak drukkende omzetbelasting niet is die welke ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB verschuldigd is, maar de omzetbelasting die op de kosten van de totstandkoming van de onroerende zaak drukt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende door gebruik te maken van de goedkeuring aanvaard dat als grondslag voor de aftrek van omzetbelasting zou gelden de op de kosten van de totstandkoming van het verpleeghuis drukkende omzetbelasting. Gelet op het onder 2.7 overwogene bieden de herzieningsbepalingen niet de gelegenheid om in latere jaren c.q. ter zake van de levering van de onroerende zaak van een andere grondslag uit te gaan. 2.9. Gelet op het onder 2.7 en 2.8 overwogene kan belanghebbende zich in het onderhavige geval door het aanvaarden van de aan de goedkeuring gestelde voorwaarde niet beroepen op een hogere teruggaaf dan die berekend op basis van de oorspronkelijke grondslag voor de aftrek van voorbelasting. Daaraan doet niet af dat met betrekking tot de herzieningsregeling geen specifieke bepaling in Mededeling 26 is opgenomen. Met de interpretatiemethode van belanghebbende zou ook kunnen worden verdedigd dat op grond van Mededeling 26 in het geheel geen herziening mag plaatsvinden. 2.10. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de goedkeuring niet de strekking had aan de tegemoetkoming met betrekking tot de omzetbelasting op de totstandkoming van het verpleeghuis te verbinden een recht om in voorkomend geval van herziening meer omzetbelasting terug te ontvangen dan met toepassing van de goedkeuring uiteindelijk is betaald. Belanghebbende kan in redelijkheid niet gemeend hebben dat gebruikmaking van de goedkeuring haar de gelegenheid bood om in een geval als het onderhavige misbruik van die goedkeuring te maken. 2.11. Belanghebbende heeft zich beroepen op de invloed die in de jurisprudentie wordt toegekend aan de verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van een integratielevering, ook als die omzetbelasting in feite niet wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in bedoelde jurisprudentie om de vaststelling van het pro rata voor de kosten van gemengd gebruikte goederen en diensten en niet, zoals in dit geval, om de vaststelling van de grondslag van de omzetbelasting waarop de herzieningsregels worden toegepast.