Rechtspraak Rechtbank Zutphen 2005-03-21
ECLI:NL:RBZUT:2005:AT1618
Bestuursrecht
RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Reg.nrs.: 05/190 AW en 05/191 AW 258 UITSPRAAK op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen: [eiser], te wonende te [woonplaats], verzoeker/eiser, hierna: eiser en de Directeur [afdeling] Politie, Justitie en Veiligheid ([X]), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 14 januari 2005. Namens eiser heeft mevr. mr. F.J. Bloem-Timmermans, advocaat te Rotterdam, bij brief van 8 februari 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 maart 2005, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Bloem-Timmermans voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.P. Drop, bijgestaan door mr. L.M. Burger, verbonden aan Capra. De voorzieningenrechter, recht doende: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand met ingang van 1 oktober 2004; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - bepaalt dat het ter zake van het beroep betaalde griffierecht ad € 136,- aan eiser wordt vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,- ter zake van verleende rechtsbijstand; - wijst CT-Service Coöperatie ([X]) Politie, Justitie en Veiligheid aan als de rechtspersoon die voornoemde bedragen dient te vergoeden. Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2005 in tegenwoordigheid van de griffier. 3.1 Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt. 3.2 Eiser is op 10 maart 2003 voor de duur van drie jaar op grond van artikel 2a van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP) bij de afdeling Operations [X] van verweerders organisatie aangesteld in de functie van directeur Operations. Op 5 november 2003 is een beoordelingsformulier opgesteld betreffende de periode 1 maart 2003 tot en met 31 oktober 2003, waarbij eisers functievervulling als voldoende werd beoordeeld. Op 11 november 2003 is een functioneringsgesprek met eiser gehouden. In december 2003 is een nieuwe directeur [X] aangetreden. Nadat eiser zich op 13 januari 2004 ziek heeft gemeld, is kort daarna suikerziekte gediagnosticeerd. Eind januari is door verweerder, naast eiser en zijn collega [collega], een derde directeur aangesteld, tegen welke aanstelling eiser bezwaar heeft gemaakt. Na een aantal gesprekken met eiser te hebben gevoerd is door verweerder in februari 2004 aan de medewerkers medegedeeld dat in goed overleg is besloten dat eiser de organisatie verlaat in verband met verschil in opvatting over de koers van [X]. Op 15 februari 2004 heeft eiser de medewerkers medegedeeld dat hij in verband met op 13 januari 2004 gediagnosticeerde suikerziekte heeft besloten zijn functie van directeur Operations niet voort te zetten. Op 20 april 2004 is eiser in kennis gesteld van verweerders voornemen hem met een opzegtermijn van drie maanden per 5 augustus 2004 eervol ontslag te verlenen. Namens eiser zijn tegen dit voornemen bedenkingen geuit, hetgeen verweerder aanleiding heeft gegeven bij brief van 14 juni 2004 de voorgenomen ontslagdatum op 1 juli 2004 te stellen. Nadat eiser zijn zienswijze op dit nadere voornemen bekend heeft gemaakt, is eiser bij primair besluit van 30 juni 2004 eervol ontslag verleend per 1 juli 2004. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 20 september 2004 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 30 juni 2004 geschorst, aangezien (kortgezegd) naar zijn voorlopig oordeel de ontslagdatum niet in stand kon blijven terwijl het ontslagbesluit eveneens een draagkrachtige motivering ontbeerde. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, in afwijking van het advies van de Bezwarenadviescommissie [X], ongegrond verklaard. 3.3 [X] is een bij statuten in het leven geroepen coöperatie met de Staat der Nederlanden, handelend voor het Korps landelijke politiediensten en de politieregio's als leden. Gelet op de statuten van de coöperatie is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat, in de personen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie gezamenlijk, een zodanig overwegende invloed heeft op het beheer van de coöperatie, waaronder de samenstelling van de directie, de financiën en het toezicht, dat die coöperatie moet worden aangemerkt als zijnde een onderdeel van de openbare dienst. Geoordeeld moet derhalve worden dat eiser is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn en uit dien hoofde, gelet op het bepaalde in artikel 1 van de Ambtenarenwet, als ambtenaar is aan te merken. 3.4 Blijkens artikel 28 van de statuten van de coöperatie [afdeling] Politie Justitie en Veiligheid U.A. zijn op het personeel, in dienst van [X], de rechtspositieregelingen uit de sector politie zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel geschiedt de uitoefening van personele beheersbevoegdheden door de directie van de coöperatie, in casu verweerder. 3.5 Partijen houdt allereerst verdeeld de vraag of eiser op grond van zijn tijdelijke aanstelling tussentijds kan worden ontslagen. Van belang in dit verband is dat eiser met overeenkomstige toepassing van artikel 2a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is aangesteld. Ingevolge artikel 2a Barp kan een betrokkene, die direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar in de zin van dit besluit was, in zeer bijzondere gevallen voor een periode van ten hoogste drie jaar in tijdelijke dienst worden aangesteld, waarbij dit besluit - behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3 van dit artikel - gedeeltelijk buiten toepassing kan worden verklaard. Aan de artikelsgewijze toelichting op artikel 2a Barp (Staatsblad 2001/659, pagina 20 e.v.) ontleent de voorzieningenrechter het volgende: 'Bij een aanstelling op grond van artikel 2a of 2b kan het Barp gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard. Welke bepalingen buiten toepassing blijven, zal afhangen van de afspraken die met betrokkene zijn gemaakt. De bepalingen inzake ontslag zullen veelal buiten toepassing worden verklaard omdat de ontslagbescherming die bij reguliere aanstellingen geldt, niet past bij deze aanstelling in tijdelijke dienst. De aanstelling moet desgewenst met onmiddellijke ingang kunnen worden beëindigd wanneer de ambtenaar niet de prestaties levert die in redelijkheid mogen worden verwacht.' Gelet op deze toelichting moet het er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor worden gehouden dat de regelgever heeft beoogd bij aanstellingen op grond van artikel 2a Barp de bepalingen van genoemd Besluit van overeenkomstige toepassing te doen zijn, tenzij een of meer bepalingen van dat Besluit bij de aanstelling expliciet buiten toepassing worden verklaard. Vastgesteld moet in dit verband worden dat de ontslagbepalingen van artikel 90 Barp in eisers akte van aanstelling noch in de begeleidende brief van 10 maart 2003 buiten toepassing zijn verklaard. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de in artikel 90, negende lid, Barp, vervatte mogelijkheid van tussentijds ontslag voor ambtenaren in tijdelijke dienst in het geval van eiser van overeenkomstige toepassing is. Eisers stelling dat hij op grond van de inhoud van zijn akte van aanstelling niet bedacht was, en ook niet behoefde te zijn, op de mogelijkheid van een tussentijds ontslag kan in dit verband niet worden gevolgd, reeds niet omdat in het begeleidend schrijven bij de aanstelling d.d.10 maart 2003 de mogelijkheid van een voortijdige beëindiging van de aanstelling door verweerder met zoveel woorden is genoemd. Dat die mogelijkheid ter sprake is gekomen in het kader van de overeengekomen leaseauto-regeling, kan hier niet aan af doen. De voorzieningenrechter merkt evenwel op dat uit het bepaalde in artikel 90 Barp volgt dat een tussentijds ontslag met inachtneming van een opzegtermijn dient te geschieden. Die opzegtermijn zou in het geval van eiser, gelet op het feit dat hij ten tijde van het ontslagbesluit d.d. 30 juni 2004 ten minste 12 maanden in dienst was, drie maanden bedragen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte bij het aan eiser gegeven tussentijdse ontslag geen opzegtermijn in acht genomen, zodat het bestreden besluit waarbij het ontslag per 1 juli 2004 in stand is gelaten, reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. 3.6 Nu de toepasselijke regelgeving een tussentijds ontslag met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden (derhalve met ingang van 1 oktober 2004) in beginsel mogelijk maakt, zal de voorzieningenrechter bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit per deze latere datum in stand te laten. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat naar vaste jurisprudentie een ontslag uit een tijdelijke aanstelling op elke redelijke grond kan worden verleend.