Rechtspraak 1999-04-02
ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3951
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 98/ 824 ZW UITSPRAAK in het geding tussen: A te B, eiser en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V. te Apeldoorn), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 5 augustus 1998. 2. Feiten Eiser ontving ten tijde hier in geding een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 17 en 18 maart 1998 heeft eiser werkzaamheden verricht gedurende acht uur per dag via Randstad Uitzendbureau. Vervolgens is eiser op 19 en 20 maart ziek geweest en heeft hij van 23 tot en met 27 maart 1998 weer gedurende acht uur per dag werkzaamheden via Randstad Uitzendbureau verricht. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat eiser zich telefonisch heeft ziek gemeld bij Randstad Uitzendbureau, die de ziekmelding vervolgens heeft doorgegeven aan het GAK-kantoor te Enschede. Eiser heeft zich eerst middels het werkbriefje van week 3, ingezonden op 27 maart 1998 bij de afdeling WW van verweerders uitvoeringsinstelling ziek respectievelijk hersteld gemeld. Bij besluit van 21 april 1998 heeft verweerder eiser een boete opgelegd van f. 300,- wegens overtreding van de mededelingsverplichting neergelegd in artikel 49 van de Ziektewet (ZW). Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en de opgelegde boete gehandhaafd. 3. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 29 januari 1999, waar eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. A. van Elk, werkzaam bij GAK Nederland B.V., vestiging te Apeldoorn. 4. Gronden De rechtbank dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder op juiste gronden eisers bezwaar ongegrond heeft verklaard en de opgelegde boete heeft gehandhaafd. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 38a lid 1 en 4 ZW dient een verzekerde die aanspraak maakt op een uitkering ingevolge de ZW ingeval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte respectievelijk zijn herstel zulks zo spoedig mogelijk maar in ieder geval niet later dan op de tweede dag van zijn ongeschiktheid respectievelijk herstel te melden aan zijn werkgever. Ingevolge artikel 7 aanhef onder a juncto artikel 11 lid 1 onder a ZW wordt het Landelijk instituut sociale verzekeringen beschouwd als werkgever van degene die krachtens de verplichte verzekering een uitkering ingevolge de WW ontvangt. Nu het recht op een uitkering ingevolge de WW per week wordt vastgesteld en eiser, ondanks zijn via Randstad Uitzendbureau verrichte werkzaamheden, gedurende de week van 16 tot en met 20 maart 1998 een gedeeltelijke WW-uitkering heeft genoten, dient verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, (mede) als werkgever te worden aangemerkt. Dit betekent dat eiser ingevolge artikel 38a lid 1 respectievelijk lid 4 ZW gehouden was zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de tweede dag van zijn ongeschiktheid respectievelijk herstel zulks bij verweerder, als zijnde werkgever, te melden. Dat eiser zich bij zijn 'andere' werkgever, te weten Randstad Uitzendbureau wel tijdig heeft ziek en hersteld gemeld doet aan vorenstaande tegenover verweerder bestaande verplichting niet af. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit ingevolge artikel 49 juncto 45a lid 1 ZW een boete opgelegd omdat eiser zijn herstel niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de tweede dag na dat herstel, bij verweerder heeft gemeld. Op overtreding van artikel 38a lid 4 ZW is, anders dan op overtreding van artikel 38a lid 1, in de wet niet een specifieke sanctie gesteld. Overtreding van deze verplichting levert echter tevens overtreding van de algemene informatieplicht op, zoals neergelegd in artikel 49 ZW. Ing