Rechtspraak 1999-03-09
ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3508
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 98/756 ABW UITSPRAAK in het geding tussen: A te B, eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 7 juli 1998. 2. Feiten Eiseres ontvangt van verweerder een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20% alsmede een "garantietoeslag voormalige alleenstaande ouder". Deze laatste toeslag is toegekend omdat de inwonende zoon van eiseres sedert 23 februari 1996 ouder is dan 18 jaar en eiseres daardoor geen recht meer heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De garantietoeslag is gebaseerd op gemeentelijk beleid, dat tot doel heeft de (voormalige) alleenstaande ouder en diens nog inwonende meerderjarig geworden kind een gezamenlijk inkomen te garanderen tot de bijstandsnorm voor gehuwden. Bij de bepaling van de hoogte van de toeslag wordt het eventuele eigen inkomen van het kind in aanmerking genomen. In het geval van eiseres heeft verweerder als inkomen van haar zoon in aanmerking genomen diens basistoelage ingevolge de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) ten bedrage van f 176,25 per maand. Het totaal van de bijstandsuitkering van eiseres (inclusief de toeslagen) en de basistoelage van haar zoon komt aldus overeen met de bijstandsnorm voor gehuwden. Op 6 oktober 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijstand voor de reiskosten van haar zoon in verband met het volgen van onderwijs (HAVO) in Apeldoorn. Zij heeft aangegeven dat deze kosten f 237,- per maand bedragen en dat de tegemoetkoming voor "overige studiekosten" van f 65,58 per maand - die haar zoon ontvangt naast de basistoelage en de cursusgeldvergoeding - dus niet toereikend is, temeer nu daaruit de leermiddelen moeten worden bekostigd. Bij besluit van 3 februari 1998 heeft verweerder hierop afwijzend beslist onder de overweging dat "uw zoon ouder dan 18 jaar is en in deze de WTS als voorliggende voorziening wordt aangemerkt waarbij geen bijzondere bijstand mogelijk is". Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij heeft hierbij gesteld dat ofwel bijzondere bijstand voor de reiskosten moet worden toegekend ofwel de basistoelage van haar zoon niet bij de berekening van haar uitkering in aanmerking moet worden genomen, zodat deze basistoelage kan worden aangewend voor de reiskosten. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. 3. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd en daarna haar zienswijze nogmaals schriftelijk uiteengezet. Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 1999, waar eiseres in persoon is verschenen. Verweerder zich heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Roesink en P.H.G.M. Buiting. 4. Gronden De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht ongegrond heeft verklaard, voor zover dat was gericht tegen de weigering om de uitkering van eiseres aan te passen in verband met de reiskosten van haar zoon. Nog daargelaten dat de aanvraag niet specifiek was gericht op zodanige aanpassing, is de rechtbank van oordeel dat de uitkering correct is opgebouwd en berekend, gelet op verweerders uitvoerige uiteenzetting daaromtrent in het bestreden besluit. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als een alleenstaande, gelet op de definitie van dat begrip in artikel 4, onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw), welke definitie als volgt luidt: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 4, onder e, wordt verstaan onder ten laste