Rechtspraak 1999-03-08
ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3504
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 98/240 VEROR 29 UITSPRAAK in het geding tussen: A te B, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 29 januari 1998. 2. Feiten Bij besluit van 10 juni 1997 heeft verweerder het pand […]laan 54 van eiser geplaatst op de lijst van karakteristieke panden. Bij brief van 14 juli 1997 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. 3. Procesverloop Bij brief van 11 maart 1998 heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 8 januari 1999, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Schoneveld, H.A.M. Ummels en G.L ter Brugge, ambtenaren der gemeente. 4. Gronden 4.1 De Monumentenverordening 1997 zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 17 oktober 1996 maakt onderscheid tussen gemeentelijke karakteristieke panden en gemeentelijke monumenten. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de verordening is het verboden een beschermd monument of een karakteristiek pand te beschadigen, te vernielen of af te breken en is het verboden zonder vergunning een monument of een karakteristiek pand in enig opzicht te wijzigen. Met betrekking tot de vergunningprocedure en de toetsing van de aanvraag maakt de verordening geen (wezenlijk) verschil tussen monumenten en karakteristieke panden. Schade ten gevolge van voorschriften verbonden aan een vergunning strekkende tot wijziging van een karakteristiek pand kan, anders dan ten aanzien van monumenten, op basis van de verordening niet vergoed worden. Ook ten aanzien van het verkrijgen van subsidie verkeert de eigenaar van een als zodanig aangewezen karakteristiek pand in een nadeliger positie ten opzichte van de eigenaar van een gemeentelijk monument. De bezwaren van eiser richten zich in wezen tegen de bepalingen van de verordening. Eiser stelt dat de lasten ten gevolge van de aanwijzing van een pand als karakteristiek pand gelijk zijn aan die van de aanwijzing van een pand als monument, doch dat de lusten lager zijn en de verordening aldus is vastgesteld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder stelt dat in de praktijk van de toepassing van de verordening de toetsing van een aanvraag voor het wijzigen van een karakteristiek pand niet of nauwelijks verschilt van de welstandstoetsing van een aanvraag voor een bouwvergunning en dat feitelijk alleen ten aanzien van het amoveren een verzwaard regime geldt. 4.2 De Monumentenverordening 1997 is, getuige het raadsbesluit, gebaseerd op de artikelen 12 en 15 van de Monumentenwet 1988. Artikel 12 van de Monumentenwet verschaft de gemeenteraad geen bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, terwijl in artikel 15 is bepaald dat de gemeenteraad gehouden is een verordening vast te stellen waarin tenminste wordt geregeld de inschakeling van een commissie op het gebied van de monumentenzorg. De Monumentenwet heeft betrekking op beschermde monumenten in de zin van die wet (rijksmonumenten) en niet op gemeentelijke monumenten of gemeentelijke karakteristieke panden. Aan zijn besluit van 17 oktober 1996 heeft de gemeenteraad niet de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet ten grondslag gelegd. De gemeenteraad heeft aldus tot uitdrukking gebracht dat hij bij de vaststelling van de verordening uitvoering gaf aan een op hem rustende verplichting en heeft niet gepretendeerd gebruik te maken van een bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Aan de hier relevante hoofdstukken 3 en 4 van de verordening moet dan ook verbindende kracht worden ontzegd, wegens strijd met artikel 15 van de Monumentenwet. Het besluit in primo is onbevoegdelijk genom