Rechtspraak 1998-02-16
ECLI:NL:RBZUT:1998:AA6732
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 95/1930 BESLU UITSPRAAK in het geding tussen: A te B, eiser en de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van 15 juni 1995. 2. Feiten Eiser exploiteert te Hattem een verkeersopleidingsinstituut. Naar aanleiding van de voorgenomen renovatie van de Oude IJsselbrug Katerveer I tussen Hattem en Zwolle in de periode 1 mei 1994 tot 1 juni 1995 heeft eiser zich bij brief van 28 oktober 1993 tot verweerder gewend met - wat door partijen is verstaan als - een verzoek om nadeelcompensatie als bedoeld in de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat. Nadat eiser op 18 januari 1994 was gehoord door de nadeelcompensatiecommissie en bij brief van 18 maart 1994 in de gelegenheid was gesteld te reageren op een concept-advies, heeft de nadeelcompensatiecommissie op 23 augustus 1994 aan verweerder geadviseerd aan eiser geen schadevergoeding toe te kennen. Op 13 september 1994 heeft verweerder overeenkomstig het advies beslist. Bij brief van 24 oktober 1994 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. 3. Procesverloop Bij brief van 25 juli 1995 heeft mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, namens eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft op 27 september 1995 stukken en een verweerschrift ingezonden. Openbare behandeling van het beroep heeft plaats gevonden op 27 november 1997. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nas voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.Jongman, werkzaam bij de Directie Oost Nederland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van verweerders ministerie. 4.Gronden 4.1 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hattem en Zwolle hebben op verzoek van verweerder, inmiddels in rechte onaantastbaar geworden, verkeersbesluiten genomen er toe strekkende dat de Oude IJsselbrug voor een periode van dertien maanden gesloten zou zijn voor alle verkeer met uitzondering van fietsers en bromfietsers, langzaam agrarisch en bouwverkeer. Rijkswaterstaat is vervolgens tot renovatie van het kunstwerk Katerveer I overgegaan. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Rijkswaterstaat kent verweerder degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het door het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat vervullen van taken genoemd in het besluit van 14 januari 1991, Stb. 42., op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd. Eiser ziet als oorzaak van de beweerdelijk geleden schade de renovatie van een kunstwerk over de IJssel, over welk kunstwerk een weg loopt die ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenwet door de gemeenten Hattem en Zwolle dient te worden onderhouden. Verweerder is van oordeel dat onderhoud van het kunstwerk behoort tot de taken, bedoeld in het besluit van 14 januari 1991. Als schadeoorzaak wordt dan ook gezien rechtmatig feitelijk handelen ter uitoefening van een publiekrechtelijke taak. In het stelsel van afdeling 8.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) past het de algemene danwel de bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, dan is ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van de schade die daardoor is veroorzaakt, aldus de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 1997 (AB 1997/229). Toepassing van dit uitgangspunt zou tot het