Rechtspraak Rechtbank Zwolle-Lelystad 2008-03-25
ECLI:NL:RBZLY:2008:BC8826
Bestuursrecht
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer Registratienummer: Awb 07/1279 Uitspraak in het geding tussen: A te B, eiser, gemachtigde: mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder. Bij besluit van 8 februari 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn recht op uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) gedurende de periode 8 (lees:7) december 2006 tot en met 13 december 2006 wordt ingetrokken nu eiser in die periode in detentie heeft gezeten en daarvan geen melding heeft gemaakt op de daartoe bestemde inlichtingenformulieren. Het door deze intrekking ten onrechte verleende bedrag aan bijstand ter hoogte van € 214,33 is van eiser teruggevorderd onder toepassing van artikel 58, lid 1 onder a, van de WWB. Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de aan hem verleende bijstand met ingang van 1 maart 2007 met 20% wordt verlaagd voor de duur van een maand. Tegen deze besluiten heeft de gemachtigde van eiser op 21 maart 2007 bezwaarschriften ingediend. Bij besluit van 25 juni 2007 heeft verweerder de bezwaren, met overneming van het door de adviescommissie bezwaarschriften (verder: de commissie) gegeven advies, ongegrond verklaard. Op 2 augustus 2007 heeft de gemachtigde van eiser tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 29 augustus 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 12 februari 2008. Eiser is verschenen bij gemachtigde mw.mr. M. Ketting, kantoorgenoot van mr. S. Ben Tarraf, voornoemd. Verweerder is niet verschenen. De rechtbank -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het bestreden besluit; -bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit volledig in stand blijven; -veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,-- en wijst de gemeente Zwolle aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiser; -gelast dat de gemeente Zwolle aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 39,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzitter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier, op Afschrift verzonden op: In geding is de vraag of het besluit van 25 juni 2007 in rechte kan standhouden. Bij dit besluit zijn eisers bezwaren ongegrond verklaard ten aanzien van de volgende besluiten: 1. de intrekking van de WWB-uitkering van eiser over de periode van 7 december tot en met 13 december 2006; 2. de terugvordering van hetgeen aan eiser als gevolg hiervan over deze periode ten onrechte aan bijstandsuitkering is betaald ad € 214,33 netto en 3. de verlaging van eisers bijstandsuitkering met ingang van 1 maart 2007 met 20% gedurende één maand. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de intrekking van het recht op uitkering over de periode 7 december tot en met 13 december 2006. Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a van de WWB heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ingevolge artikel 17, eerste lid van de WWB dient de belanghebbende aan het college op verzoek of uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college het besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Vast staat dat eiser gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en sub a, van de WWB geen recht op bijstand had over de periode waarin hij gedetineerd was. Achtergrond hiervan is dat in de noodzakelijke kosten van het bestaan van degenen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen wordt voorzien door het ministerie van justitie. Vast staat verder dat eiser verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van zijn detentie, hoewel hij had moeten begrijpen dat het informatie betrof die onmiskenbaar van belang kon zijn voor het recht op bijstandsuitkering. Als gevolg van het bovenstaande is aan eiser ten onrechte bijstand verleend over genoemde periode. Ingevolge het bepaalde in artikel 54 van de WWB was verweerder dan ook bevoegd de bijstandsuitkering van eiser over deze periode in te trekken. Ter zake van de intrekking van een bijstandsuitkering hanteert verweerder het beleid dat, slechts dien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van intrekking (artikel 2, onder e, van de Beleidsregels terugvordering WWB). De rechtbank is van oordeel dat dit beleid, althans voor zover het betreft de intrekking die, zoals in dit geval, het gevolg is van een schending van de inlichtingenverplichting, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. In hetgeen namens eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen dringende redenen op grond waarvan verweerder van intrekking had dienen af te zien. Ten aanzien van de terugvordering. Ingevolge artikel 58 eerste lid, onder a, van de WWB is het college bevoegd de verleende bijstand terug te vorderen, indien de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Deze bevoegdheid is nader ingevuld in artikel 4, aanhef en onder a, van de beleidsregels. Nu verweerder de bijstand terecht heeft ingetrokken over de periode 7 december 2006 tot en met 13 december 2006 heeft verweerder over die periode ten onrechte bijstandsuitkering ontvangen. Verweerder is derhalve op grond van artikel 58 van de WWB bevoegd tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. Verweerder hanteert ook ter zake van terugvordering het beleid dat slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het college kan besluiten om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn terugvorderingsbevoegdheid de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Daarbij verwijst de rechtbank kortheidshalve naar hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot verweerders beleid ten aanzien van intrekking, welke overweging ook geldt voor de terugvordering. Ten aanzien van de afstemming. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, verlaagt het college ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel 8, eerste lid, onder b, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Regels als hiervoor bedoeld zijn door de gemeenteraad van de gemeente Zwolle vastgesteld bij de Afstemmingsverordening Wet Werk en Bijstand 2004 (verder te noemen: Afstemmingsverordening). In artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging de belanghebbende kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB, is volgens de Afstemmingsverordening, voor zover dit heeft geleid tot een (bruto) benadelingbedrag tot € 2000,--, een gedraging van de derde categorie. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening leidt deze gedraging tot een verlaging van de uitkering met 20% voor de duur van één maand. Artikel 13 van de Afstemmingsverordening bepaalt dat wordt afgezien van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of indien het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Met dit laatste wordt bedoeld dat het opleggen van de maatregel in het individuele geval tot onacceptabele consequenties zou leiden. De maatregel wordt in principe opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belangheb-bende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft eiser niet voldaan aan zijn inlichtingen-plicht. Er is geen grond voor het oordeel dat bij eiser iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Verweerder was derhalve op grond van artikel 18, tweede lid van de WWB gehouden de bijstand te verlagen met inachtneming van de Afstemmingsverordening. Verweerder heeft conform het beleid zoals dat is neergelegd in de Afstemmingsverordening de bijstandsuitkering met 20% verlaagd gedurende een maand. Namens eiseres is betoogd dat verweerder de verlaging van eisers uitkering ten onrechte niet als punitieve sanctie in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) heeft aangemerkt. De rechtbank acht deze grief gegrond. In dit geval heeft de schending van de inlichtingenplicht immers voor eiser al geleid tot de intrekking van zijn bijstandsuitkering over de periode (van detentie) waarop de schending ziet. Het vervolgens ook nog tijdelijk verlagen van de uitkering in een periode nadien heeft in elk geval mede als effect gehad dat eiser (extra) leed is toegebracht en daarmee is die verlaging aan te merken als een punitieve (bestraffende) sanctie. Dat de regering blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 18 van de WWB (Nota naar aanleiding van het verslag, kamerstukken II, 2002-2003 28 870, nr.