Rechtspraak Rechtbank Utrecht 2005-09-02
ECLI:NL:RBUTR:2005:AU2298
Bestuursrecht
RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht Reg. nr.: SBR 05/1752 Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen: Schuitema Filialen B.V. (1), Etos B.V. (2) gevestigd te Amersfoort, verzoeksters, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder. 1. INLEIDING 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 24 juni 2005, waarbij aan [belanghebbende] (hierna: de vergunninghouder), ten behoeve van de coffeeshop De Schommel, met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning voor ten hoogste vijf jaar is verleend voor het plaatsen van een horeca-a unit op de locatie Bergenboulevard nabij de C1000, kadastrale aanduiding HLD02, sectie O, nr 217 (hierna: het perceel). 1.2 Het verzoek is op 19 augustus 2005 ter zitting behandeld, gevoegd met de zaken SBR 05/1638 en 05/2132, waar verzoekster 1 is verschenen bij [verzoeker], bijgestaan door mr. E.A.W. Driest, advocaat te Amsterdam en verzoekster 2 is verschenen bij mr. Driest voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Roos en K. Vonck, beiden werkzaam bij de gemeente Amersfoort. De vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. B.M. de Bruin De voorzieningenrechter: Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2005. De griffier: De voorzieningenrechter: mr. S. Meurs mr. drs. R. in 't Veld Afschrift verzonden aan partijen op: 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan, voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Ingevolge artikel 19 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts verleend, indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven. In artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet is bepaald dat in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 van de WRO wordt toegepast, een termijn wordt gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden. Ingevolge artikel 17, vierde lid, van de Woningwet is de termijn voor een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid, onder d, gelijk aan die waarvoor de vrijstelling bedoeld in artikel 17 van de WRO is verleend. 2.4 Op het perceel is het bestemmingplan “Uitwerkingplan De velden 1 Vathorst” (hierna: het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van het bestemmingplan heeft het perceel de bestemming Woondoeleinden W1. 2.5 Bij besluit van 30 september 2003 heeft de Raad van de gemeente Amersfoort de notitie uitwerking gemeentelijk coffeeshopbeleid (hierna het coffeeshopbeleid) vastgesteld, waarin de voorwaarden voor het vestigen van een coffeeshop zijn vastgelegd. 2.6 De vergunninghouder heeft op 18 januari 2005 een tijdelijke bouwvergunning aangevraagd voor de plaatsing van de horeca- a unit. Het plaatsen van deze horeca-unit is in strijd met het bestemmingsplan. Het bouwplan heeft ter inzage gelegen van 31 maart tot en met 13 april 2005. Naar aanleiding van de in dit kader ingediende zienswijzen is op 26 mei 2005 een nota van overwegingen (hierna: de nota) opgesteld. Vervolgens heeft verweerder bij het besluit van 15 juni 2005 de vrijstelling en de bouwvergunning verleend. 2.7 Met betrekking tot het argument van verzoekster dat niet is voldaan aan de indieningsvereisten van het besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning, aangezien de punten 3,5 en 7 van het aanvraagformulier niet zijn ingevuld, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Punt 3 heeft betrekking op de kadastrale aanduiding. Deze gegevens zijn in de vergunning opgenomen. Punt 5 van het aanvraagformulier heeft betrekking op het gebruik van het bouwwerk. In punt 4 van de vergunningaanvraag is aangegeven dat het gaat over de bouw van een coffeeshop. Over het doel van de vergunningaanvraag is dan ook nimmer enige onduidelijkheid geweest. Punt 7 van het aanvraagformulier heeft betrekking op de welstand. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d. van de Woningwet bij een tijdelijke bouwvergunning geen welstandsadvies noodzakelijk is. Voor zover er overigens tekortkomingen in de bouwaanvraag zouden zijn kunnen deze in de bezwaarprocedure worden hersteld. Deze argumenten kunnen dan ook niet leiden tot schorsing van de vergunning. 2.8 Mede gelet op het bepaalde in artikel 19 van het Bro moet in de eerste plaats worden nagegaan of de vrijstelling ten behoeve van de horeca tijdelijk is. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (ABRS), bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2005 (zaaknummer 200407942/1 gepubliceerd op www.raadvanstate .nl) biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor maximaal vijf jaar is verleend op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Teneneinde het tijdelijk karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn. Bij het ontbeken daarvan is toepassing van artikel 17 WRO niet mogelijk. 2.9 Voor het tijdelijk karakter van de bouwvergunning en het gebruik van het perceel heeft verweerder erop gewezen dat het gebied waar de coffeeshop wordt geplaatst in ontwikkeling is. Als deze plannen zijn gerealiseerd zal de aanwezigheid van een coffeeshop op deze plaats niet meer in overeenstemming zijn met het coffeeshopbeleid. De gedoogverklaring wordt telkens voor een jaar verleend. Als de plannen zijn gerealiseerd zal ook geen gedoogverklaring meer kunnen worden afgegeven. Daarnaast heeft de vergunninghouder voor het gebruik van de grond een huurovereenkomst gesloten met de eigenaar van de grond, ABV Beheer B.V., voor de duur van vijf jaar. Tenslotte heeft de vergunninghouder een brief overgelegd van de verhuurder van de bedrijfsunit waarin deze meedeelt dat de tijdelijke accommodatie tot vijf jaar voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. 2.10 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn er, gelet op de gedingstukken en hetgeen ter zitting is besproken, voldoende objectieve en concrete feiten om aan te nemen dat de horeca-a unit en het met het bestemmingsplan strijdige gebruik een tijdelijk karakter heeft. Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter betrokken dat de verhuurder van de grond tevens de ontwikkelaar van het gebied is, zodat deze er belang bij heeft dat de horeca-unit verdwijnt op het moment dat er met een uitvoering van de plannen wordt begonnen. Voorts heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het perceel ligt op de plaats waar de ontsluitingsweg voor het achterliggende gebied is geprojecteerd. Zodra er een aanvang met de bouw wordt gemaakt zal de coffeeshop dan ook verwijderd moeten worden. Bovendien is in de huurovereenkomst een boeteclausule opgenomen met als inhoud dat de vergunninghouder het gehuurde tijdig, voor het einde van de huurovereenkomst leeg en ontruimd aan de verhuurder oplevert op straffe van verbeuring van een direct opeisbare boete aan de verhuurder ten bedrage van €75.000,-. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de huurovereenkomst betrekking heeft op de huur van de grond en niet op bedrijfsruimte. Het argument van verzoekster dat aan de in het contract opgenomen maximale termijn van vijf jaar geen belang toekomt omdat op grond van artikel 7:292 van het BW een huurcontract voor bedrijfsruimte van rechtswege met vijf jaar wordt verlengd, treft dan ook geen doel. De omstandigheid dat er nog geen alternatief voor handen is, zoals verzoeksters hebben aangevoerd, acht de voorzieningenrechter op zichzelf niet van doorslaggevend belang, nu er overigens voldoende objectieve feiten zijn die - in hun onderlinge samenhang bezien -voldoende aanwijzing vormen voor de tijdelijkheid van de vestiging van de coffeeshop op deze locatie. 2.11 Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd toepassing te geven aan artikel 17 van de WRO. Met betrekking tot de door verweerder gemaakte belangenafweging in het kader van de vrijstellingbevoegdheid overweegt de voorzieningenrechter het volgende. 2.12 Voor wat betreft de noodzaak tot verplaatsing van de coffeeshop uit de Pothstraat naar een andere locatie heeft verweerder gewezen op de overlast als gevolg van de verkeerssituatie in de smalle Pothstraat en op het door de gemeenteraad geformuleerde uitgangspunt dat de coffeeshops worden gespreid over de wijken.