Rechtspraak {'name': 'Rechtbank Utrecht', 'resource_id': 'http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Ut 2003-05-01
ECLI:NL:RBUTR:2003:AF8110
{'name': 'Bestuursrecht', 'resource_id': 'http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht'}
RECHTBANK UTRECHT Reg. nr.: SBR 02/540 UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: [eiser], wonende te Utrecht, e i s e r, en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, v e r w e e r d e r. 1. INLEIDING Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 januari 2002 waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 30 januari 2001 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd eiser een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een schutting op het perceel [straat] [nr.] te Utrecht. Op 11 augustus 2000 is door een inspecteur van de afdeling Bouwbeheer geconstateerd dat er op het perceel [straat] [nr.] aan de voorzijde van de woning een schutting is geplaatst zonder dat daartoe door verweerder een bouwvergunning is verleend. De geplaatste schutting is 5.60 meter lang en 1.80 meter hoog. Op 17 augustus 2000 heeft verweerder een vooraanschrijving doen uitgaan waarin eiser gesommeerd werd binnen één maand alsnog een aanvraag om bouwvergunning of een melding bouwplan in te dienen óf de schutting binnen deze termijn af te breken. In de brief is opgenomen dat legalisering in beginsel tot de mogelijkheden behoort. Op 18 september 2002 heeft eiser een aanvraag bouwvergunning ingediend teneinde de schutting te legaliseren. Verweerder heeft de gevraagde bouwvergunning op 30 januari 2001 geweigerd wegens strijd met het geldende bestemmingsplan 'Vleuten-De Meern Landelijk Gebied' en strijd met redelijke eisen van welstand. Tevens is geen medewerking verleend aan een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vanwege strijd met het in voorbereiding zijnde ontwerpbestemmingsplan 'Leidsche Rijn', deelplan 'Langerak 1' en het vastgestelde beleid voor erfafscheidingen en wederom strijd met redelijke eisen van welstand. Het door eiser ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Standpunten van partijen Eiser stelt zich op het standpunt dat uit het bepaalde in artikel 43, aanhef en sub j [kennelijk bedoeld is sub k], van de Woningwet (Ww) volgt dat voor het plaatsen van een erfafscheiding met een hoogte van maximaal twee meter geen bouwvergunning benodigd is, voor zover deze niet vóór de voorgevelrooilijn is geplaatst. Gelet op het feit dat het bestemmingsplan niets bepaalt over de ligging van de voorgevelrooilijn, moet worden teruggevallen op de Bouwverordening. Uit de bepalingen in de Bouwverordening kan worden afgeleid dat de voorgevelrooilijn een lijn is die gesitueerd is langs - en evenwijdig aan - een (openbare) wegzijde. Eiser is van mening dat de [straat], die naast de woning loopt en een bocht om het appartementencomplex maakt, geen openbare weg als bedoeld in de Bouwverordening is. Van een voorgevelrooilijn kan derhalve geen sprake zijn, zodat moet worden geconcludeerd dat de schutting niet is geplaatst vóór de voorgevelrooilijn en dus vergunningvrij is. Als al sprake is van een voorgevelrooilijn langs de [straat], mag deze (nu de [straat] afbuigt) niet worden doorgetrokken langs de voorzijde van zijn woning. Voor het geval er onverhoopt toch sprake is van een bouwvergunningplichtig bouwwerk, is eiser van mening dat, gelet op de bijzondere feiten en omstandigheden, een afwijking van het door verweerder gehanteerde schuttingenbeleid gerechtvaardigd is. Nu verweerder nagelaten heeft deze mogelijkheid te onderzoeken, is er sprake van een met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht strijdig besluit. Volgens eiser is voorts sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat er volgens hem aan de [adres] en de [adres] veel schuttingen in allerlei soorten en vormen in de voortuin zijn geplaatst en van strijd met het vertrouwensbeginsel omdat in de vooraanschrijving van 17 augustus 2000 is opgemerkt dat legalisering in beginsel tot de mogelijkheden behoort. Tot slot zet eiser zijn vraagtekens bij het feit of het bestreden besluit bevoegd is genomen en ondertekend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning een tweetal voorgevelrooilijnen heeft aangezien de woning aan twee kanten aan een openbare weg is gelegen. Ook een parkeerplaats moet immers worden beschouwd als een openbare weg nu onder openbare weg die wegen worden verstaan, waarvoor in het bestemmingsplan of uitwerkingsplan de omschrijving 'verkeersdoeleinden', 'verkeer en verblijf' of 'verblijfsgebied' is aangegeven. De ligging van de rooilijnen wordt expliciet in het ontwerpbestemmingsplan 'Leidsche Rijn' geregeld via de plankaart. Hoewel de toepasselijkheid van de Bouwverordening niet expliciet wordt uitgesloten, moet toch duidelijk zijn dat de rooilijnen worden bepaald door het bebouwingsvlak zoals op de plankaart aangegeven met een oranje kleur. Gelet op het bepaalde in de Ww is de schutting van 1.80 meter hoog, geplaatst vóór de voorgevelrooilijn en derhalve vergunningplichtig. Ingevolge de voorschriften van het ontwerpbestemmingsplan (dat overigens, aldus verweerder, op 27 februari 2002 voor wat betreft het perceel van eiser in werking is getreden) is het plaatsen van een schutting op gronden met de bestemming 'Tuinen 2' niet toegestaan. Omdat voor de betreffende wijk een beleid is vastgesteld voor het plaatsen van schuttingen is het bouwplan, na de constatering dat het plaatsen van de schutting in strijd is met het geldende en het ontwerpbestemmingsplan, getoetst aan dit beleid. Op grond van dit beleid is de schutting niet toegestaan. Om te beoordelen of het volgen van een vrijstellingsprocedure wenselijk is, is de aanvraag bouwvergunning om advies voorgelegd aan de welstandskamer Leidsche Rijn. Gelet op het negatieve advies van de welstandskamer en de strijdigheid met het schuttingenbeleid is terecht en op juiste gronden geweigerd over te gaan tot het verlenen van medewerking aan het bouwplan. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt in zoverre gewijzigd dat de rooilijnen naar zijn mening niet in het (ontwerp)bestemmingsplan zijn geregeld en dat de Bouwverordening op dit punt wel aanvullende werking heeft. Toepasselijk recht Artikel 9, eerste lid, van de Ww bepaalt dat voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan de eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven. Artikel 9, tweede lid, van de Ww bepaalt dat de voorschriften van de bouwverordening van toepassing blijven indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt. In artikel 40, eerste lid, van de Ww is bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). In artikel 43, aanhef en onder k, van de Ww is bepaald dat in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding, waarvan de hoogte, van de voet af gemeten, niet meer is dan 1 m. Indien de afscheiding wordt geplaatst op of rondom een erf- of terrein waarop een gebouw staat, dan mag de afscheiding die achter de voorgevelrooilijn staat, ten hoogste 2 m zijn. Artikel 44, van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien: (...) b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening en, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die bij een in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een in artikel 120 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn gegeven; c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen; d. De rechtbank Utrecht, recht doende, verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. ter Brugge, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2003. de griffier: het lid van de enkelvoudige kamer: mr. M.H.L. Debets mr. M. ter Brugge Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. In geschil is of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het oprichten van de schutting bouwvergunningplichtig is en vervolgens de aangevraagde bouwvergunning terecht en op goede gronden heeft geweigerd. Ingevolge artikel 43, onder k, van de Woningwet is geen bouwvergunning vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding op of rondom een erf of terrein waarop een gebouw staat en achter de voorgevelrooilijn, waarvan de hoogte, van de voet af gemeten, niet meer is dan 2 meter. De geplaatste schutting is 5.60 meter lang en 1.80 meter hoog. Voor de beantwoording van de vraag of de schutting vergunningvrij kon worden opgericht, moet derhalve worden bepaald wáár de voorgevelrooilijn ligt. Daarbij is van belang dat in artikel 9 van de Ww het primaat van het bestemmingsplan is neergelegd, zodat voor een aanvullende werking van de bouwverordening slechts plaats is, indien het betreffende bestemmingsplan een onderwerp niet (afdoende) regelt. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Vleuten-De Meern Landelijk Gebied' is een voorgevelrooilijn niet opgenomen. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was ten aanzien van het in geding zijnde gebied het bestemmingsplan 'Leidsche Rijn Utrecht 1999' in procedure, dat de raad van de gemeente Utrecht op 28 oktober 1999 heeft vastgesteld en dat Gedeputeerde Staten op 6 juni 2000 hebben goedgekeurd. Ter zitting heeft verweerder zijn eerder ingenomen standpunt, dat dit bestemmingsplan de rooilijnen uitputtend regelt zodat er geen plaats meer is voor een aanvullende werking van de gemeentelijke Bouwverordening, ingetrokken. Bij nadere bestudering van de zaak is verweerder namelijk gebleken dat de, in eerdere versies van dit bestemmingsplan opgenomen, rooilijnen in het onderhavige bestemmingsplan ontbreken. De rechtbank komt na bestudering van dit bestemmingsplan en de daarbij behorende plankaart tot de conclusie dat dit bestemmingsplan geen bepalingen bevat ten aanzien van (voorgevel)rooilijnen zodat ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Ww de Bouwverordening aanvullende werking heeft. Ingevolge artikel 1.1 van de Bouwverordening wordt onder "weg" verstaan alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. Ter zitting hebben partijen aangegeven van mening te verschillen over de vraag óf het voor het blokje woningen liggende voetpad, al dan niet inclusief de daarbij behorende groenvoorziening, óf het gedeelte van de [straat] gelegen naast de zijgevel van de woning, al dan niet inclusief de parkeerplaatsen, dan wel geen van beide kan worden gezien als "weg" in de zin van artikel 1.1. van de Bouwverordening. Naar oordeel van de rechtbank moet het vóór de woning van eiser liggende voetpad in ieder geval worden aangemerkt als een weg in de zin van de Bouwverordening. Dat deze weg niet voor het openbaar (voetgangers)verkeer zou openstaan, is de rechtbank niet gebleken. In het bestemmingsplan 'Leidsche Rijn', deelplan 'Langerak 1' heeft deze weg de bestemming 'Verkeer en verblijf, verblijfsgebied'. De ligging van de voorgevelrooilijn wordt bepaald door artikel 2.5.5. van de Bouwverordening. Nu er in het onderhavige geval sprake is van een situatie met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing langs een wegzijde (in casu het voetpad) is de voorgevelrooilijn de evenwijdig aan de as van het voetpad gelegen lijn, welke zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft. Dit toepassend op de onderhavige zaak komt de rechtbank tot de conclusie dat de schutting vóór de voorgevelrooilijn is opgericht. Gelet op de hoogte van de schutting, namelijk 1.80 meter, is er sprake van een bouwvergunningplichtig bouwwerk. Verweerder heeft ingevolge het bepaalde in artikel 40 van de Ww terecht van eiser verlangd een bouwvergunning aan te vragen. Dat geldt overigens ook als het eerder door verweerder ingenomen standpunt dat de rooilijnen wel uit het bestemmingsplan 'Leidsche Rijn Utrecht 1999' afgeleid kunnen worden, juist is. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of verweerder de bouwvergunning terecht en op goede gronden heeft geweigerd. Het oprichten van de schutting is in strijd met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan 'Vleuten-De Meern Landelijk Gebied' nu ter plaatse geen agrarische functie meer wordt uitgeoefend en de schutting ook niet ten dienste staat van een agrarische functie. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat de bouwaanvraag strijdig was met het vigerende bestemmingsplan. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was ten aanzien van het in geding zijnde gebied het bestemmingsplan 'Leidsche Rijn Utrecht 1999' in procedure. Op basis van de overgelegde stukken concludeert de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in dit toekomstig bestemmingsplan nu de schutting wordt opgericht op de bestemming 'Tuinen 2 (onbebouwd)'. De planwetgever heeft blijkbaar beoogd de erfafscheidingen te regelen binnen de bestemmingen 'Tuinen 1 (bebouwd)' en 'Tuinen 2 (onbebouwd)'. Het bestemmingsplan bepaalt immers expliciet waar erfafscheidingen, tuinmuren en pergola's mogen worden opgericht. De rechtbank verwijst hierbij onder meer naar het verschil in het bepaalde in artikel 11, onder D, sub 2 en in het hier van toepassing zijnde artikel 11, onder E, sub 2. Op de plankaart is niet aangegeven dat ter plaatse van de woning van eiser kleine bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming zijn toegestaan. Dat het Projectbureau Leidsche Rijn heeft aangegeven dat er vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen het verlenen van een vrijstelling doet niet af aan voorgaande constatering. De rechtbank overweegt verder dat verweerder met het deelplan Langerak een hoge ruimtelijke kwaliteit nastreeft. Het hoge stedenbouwkundig ambitieniveau komt tot uiting in het gedetailleerde kaartbeeld en de bijbehorende planvoorschriften. In het geval de bevoegdheid tot vrijstelling aan de orde is, wordt middels het schuttingenbeleid en uiteraard middels de welstandstoetsing de open structuur en opzet van de wijk bewaakt. Het standpunt van verweerder dat de schutting deze open structuur en opzet aantast acht de rechtbank onjuist noch onredelijk. De welstandskamer Leidsche Rijn heeft, hoewel begrip bestond voor de plaatsing van een schutting op deze plaats, gezien het zicht op de naast de woning geparkeerde auto's en omdat de openbare ruimte hier niet goed is afgehecht, geoordeeld dat door de wijze waarop de schutting is geplaatst en door het type schutting, het straatbeeld toch ongewenst wordt verstoord. De woning van eiser valt volgens de welstandskamer niet onder de gevallen waarvoor het schuttingenbeleid een uitzondering toelaat op het beginsel dat aan de voorzijde van woningen geen schuttingen geplaatst mogen worden. Echter gezien de uitzonderingssituatie - een hoekwoning van een bouwblok waaraan op ongelukkige wijze een parkeerplaats is gekoppeld met open zicht erop - wordt door de welstandskamer geadviseerd het parkeren af te schermen van de voortuin door óf een groene haag óf een lagere gemetselde afscheiding te plaatsen. Deze alternatieven zijn volgens de welstandskamer aanzienlijk minder beeldbepalend en derhalve minder verstorend dan de voorgestelde schutting.