Rechtspraak Rechtbank Utrecht 2000-01-19
ECLI:NL:RBUTR:2000:AA5214
Bestuursrecht
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr.: 98/881 GEMWT UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], e i s e r, tegen het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, v e r w e e r d e r. Bij besluit van 18 maart 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen verweerders primaire besluit van 11 augustus 1997 ongegrond verklaard. Bij dit primaire besluit heeft verweerder aan eiser kennis gegeven van zijn beslissing tot het plaatsen van het pand [lpkatie], inclusief schuur en hekwerk met toegangshek te [woonplaats] als beschermd monument op de gemeentelijke monumentenlijst. Namens eiser heeft mr M.J.H.M. Verhoeven, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, tegen eerstgenoemd besluit op 27 april 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld en nadien de gronden aangevuld. Verweerder heeft bij brief van 14 juli 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift overgelegd. Nadien hebben tussen partijen onderhandelingen plaatsgevonden. Partijen hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken. De arrondissementsrechtbank te Utrecht, recht doende, verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr T. Dompeling, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2000. De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer : E. van Kerkhoven T. Dompeling Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond heeft verklaard, in rechte stand kan houden. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting. Eiser is eigenaar van het pand [lokatie] (hierna: het pand), kadastraal bekend onder nummer […] een uit 1912 daterende langhuisboerderij. Op 15 april 1985 heeft een inventarisatie van het pand plaatsgevonden door het Bureau monumentenzorg Utrecht. In juli 1996 heeft een herinventarisatie van het pand plaatsgevonden. Daarbij is aangegeven dat het pand van architectuurhistorische waarde is vanwege de gaafheid van het complex en vanwege de gaafheid van de hoofdvorm en de detaillering en dat het beeldbepalend is. Eiser heeft daarop in januari 1997 gereageerd en gesteld, dat de meerkosten van het onderhoud groter zijn dan de subsidie die hiertegenover staat, dat de functie van monument extra beperkingen zal opleggen voor eventuele functieverandering en dat de schuur in dermate slechte staat verkeert, dat deze niet op een monumentenlijst behoort. Hierna heeft verweerder het primaire besluit genomen, waarbij het pand op grond van de Monumentenverordening 1994 is geplaatst onder categorie 1 (zeer waardevolle monumenten). In het besluit heeft verweerder onder meer overwogen dat de schuur een essentieel onderdeel uitmaakt van het complex en dat de staat van onderhoud nooit een criterium is geweest bij het al dan niet plaatsen van de schuur op de gemeentelijke monumentenlijst. Nadat namens eiser daartegen bezwaar is gemaakt en een hoorzitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Daarin heeft verweerder onder meer overwogen dat eind augustus 1997 de Monumentenverordening 1997 in werking is getreden en dat op basis van die verordening een heroverweging heeft plaatsgevonden. Daar de categorieën 1, 2 en 3 zijn vervallen, is het pand nu in de categorie beschermd gemeentelijk monument geplaatst. Naar het oordeel van de gemeentelijke Monumentencommissie maakt de schuur een waardevol onderdeel uit van het gehele boerderijencomplex. De schuur is beeldbepalend. Het complex is een gaaf onderdeel van de strookbebouwing langs de [straatnaam] en de oorspronkelijke relatie met de omgeving is onaangetast. De staat van onderhoud is geen criterium om al dan niet over te gaan tot plaatsing van een pand op de monumentenlijst. De staat van onderhoud kan wel worden meegenomen bij een belangenafweging voor het al dan niet verlenen van een sloopvergunning. Eigenaren kunnen niet verplicht worden gesteld om hun panden te restaureren. Nu de bestemming en het gebruik van de panden niet wordt gewijzigd, is er geen waardevermindering in economische zin. Namens eiser is - samengevat - aangevoerd, dat het beroep met name is gericht tegen het plaatsen van de schuur op de monumentenlijst. De schuur heeft te lijden onder een slechte bouwkundige constructie en verkeert daardoor in een matige staat van onderhoud. De schuur zal op korte termijn moeten worden gesloopt. Restauratie is niet meer mogelijk of levert onevenredig hoge kosten op, terwijl herbouw in dezelfde staat geen optie is omdat de inrichting en omvang van de schuur niet voldoen aan de eisen van een modern agrarisch bedrijf. Het toetsingskader van een eventuele sloopvergunning alsmede van de bouwvergunning voor een nieuwe schuur door plaatsing daarvan op de monumentenlijst wordt aanzienlijk uitgebreid. Eiser betwist de architectuurhistorische waarde van de schuur. Door de bouwvallige staat van de schuur zal de waarde van de overige panden verminderd worden. In het licht van een te verlenen sloopvergunning ware het beter indien de schuur niet op de monumentenlijst zou worden geplaatst. Ter zitting van de rechtbank is daaraan toegevoegd, dat het bedrijf van eiser al ten tijde van de aanwijzing is betrokken in een herinrichting waarbij de gronden van het bedrijf worden herbestemd als industrieterrein. In het toekomstig gebruik van de boerderij als woning is geen plaats voor een bouwvallige schuur. De geldende bestemmingsplanvoorschriften, van kracht geworden na het indienen van het beroepschrift, bieden de mogelijkheid om schuren een woonbestemming te geven indien daaraan cultuurhistorisch belang wordt toegekend. In overleg hierover toonde verweerder zich bereid de omschrijving van het pand aan te passen, maar verweerder kon geen zekerheid geven dat eiser ook daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om de schuur om te bouwen tot woning. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder het bestreden besluit toegelicht en daarnaast onder meer naar voren gebracht, dat een nadere omschrijving van de schuur met de nadruk op het exterieur is opgesteld. In het kader van het Globaal Bestemmingsplan Houten-Vinex heeft verweerder de bevoegdheid de bestemming te wijzigen ten aanzien van aan- en bijgebouwen voor de realisering van een nieuw bebouwingsvlak ten behoeve van een woning. Het is zeker dat wijziging van een bijgebouw in een woning niet kan plaatsvinden indien er geen belang bij handhaving van het bijgebouw bestaat omdat de verschijningsvorm niet karakteristiek is. Met plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst is het eenvoudig aan te tonen dat er sprake is van een karakteristieke verschijningsvorm. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen worden verdeeld gehouden door de plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. van de schuur, behorend bij het pand. De rechtbank acht het geschil hiertoe beperkt. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 stelt het gemeentebestuur een verordening vast waarin ten minste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg. De gemeenteraad van de gemeente Houten heeft ter uitvoering van de voornoemde bepaling op 21 december 1993 de Monumentenverordening 1994 vastgesteld. Op 27 mei 1997 heeft de gemeenteraad een nieuwe monumentenverordening vastgesteld, de Monumentenverordening 1997 (hierna: de Verordening 1997). Bij het primaire besluit heeft verweerder de monumentenverordening 1994 toegepast en bij het besluit op bezwaar de Verordening 1997. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van het besluit op bezwaar terecht de Verordening 1997 heeft toegepast, nu in het kader van een heroverweging in beginsel de meest recente regelgeving dient te worden toegepast en eiser hierdoor niet in een ongunstiger positie wordt gebracht. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Verordening 1997 kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, een onroerend goed aanwijzen als gemeentelijk monument. Onder monumenten worden blijkens artikel 1, eerste lid, van de Verordening 1997 onder meer verstaan alle zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. Artikel 5, tweede lid, van de Verordening 1997 bepaalt onder meer dat burgemeester en wethouders besluiten over aanwijzing van onroerende monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst, nadat de monumentencommissie en de eigenaar zijn gehoord. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat verweerder op grond van het advies van de monumentencommissie heeft besloten tot plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst. Eiser is dienaangaande op 30 januari 1997 gehoord. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de Verordening 1997. De rechtbank overweegt dat het plaatsen van een zaak op de gemeentelijke monumentenlijst een bevoegdheid van verweerder is.