Rechtspraak 1999-11-19
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA5160
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr: 98/128 UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: [eiser] te [woonplaats], e i s e r, tegen het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, v e r w e e r d e r. I.VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij besluit van 18 mei 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 november 1997 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld bij schrijven van 29 juni 1998. De gronden van het beroep zijn ingediend bij schrijven van 22 juli 1998. Bij schrijven van 22 oktober 1998 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op 11 november 1998 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 1999 waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr A.A.M. Broos, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr M. van de Wetering, juridisch medewerker van de afdeling Bezwaar en Beroep van SFB Uitvoeringsorganisatie. 2. OVERWEGINGEN Feiten Eiser is op 6 mei 1996 als stratenmaker in dienst getreden van aannemersbedrijf […] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam], te [vestigingsplaats] In verband met het niet nakomen van de loonbetalingsverplichtingen is de werkgever door te Bouw- en Houtbond FNV op 12 maart 1996 en op 27 november 1996 gesommeerd de achterstallige betalingen te voldoen. Op 3 januari 1997 is aan alle werknemers, waaronder eiser, ontslag aangezegd in verband met de beëindiging van het bedrijf per 6 januari 1997. Eiser heeft bij verweerder op 8 januari 1997 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Tevens heeft eiser verweerder verzocht om overname van de betalingsverplichtingen van de werkgever ten aanzien van het achterstallig loon over de periode 2 december 1996 tot en met 27 december 1996, loon over de opzegtermijn, vakantierechtwaarden over 6 maanden en bijboeking risico- en pensioenpremie over 7 maanden. Uit een door verweerder bij de werkgever ingesteld onderzoek bleek dat eiser in december 1996 f 1000,- voorschot aan vakantierechtwaarden heeft ontvangen. Voorts is zijdens de werkgever verklaard dat in 1996 is gewerkt voor een drietal hoofdaannemers, te weten [aannemer 1] te […], [aannemer 2] te […] en [aannemer 3] te Hilversum. Op 29 januari 1997 is de werkgever van eiser failliet verklaard. Op 3 maart 1997 heeft eiser tegenover een buitendienstfunctionaris van verweerder verklaard dat hij zijn werkgever wel enkele keren heeft aangesproken op betaling van de vakantierechten maar dat hij geen verdere stappen heeft ondernomen en evenmin de hoofdaannemers aansprakelijk heeft gesteld omdat hij niet wist hoe hij dit moest aanpakken en is afgegaan op de mededelingen van de werkgever dat de vakantierechten onderweg waren. Bij besluit van 18 november 1997 heeft verweerder aan eiser toegekend achterstallig loon over de periode 23 december 1996 tot en met 3 januari 1997, loon over de opzegtermijn van 6 januari 1997 tot en met 10 januari 1997 alsmede over de collectieve roostervrije dagen van januari 1997 tot en met 10 januari 1997 over 2,232 uur. Voorts heeft verweerder vakantierechtwaarden uitgekeerd over de periode vanaf 6 mei 1996 tot 1 augustus 1996 onder aftrek van het door eiser ontvangen voorschot ad f 1000,-. Tevens heeft verweerder over 69 dagen pensioen- en risicopremie bijgeboekt. Over de periode 1 augustus 1996 tot en met 20 december 1996 heeft verweerder overname van de betalingsverplichtingen blijvend geheel geweigerd onder overweging dat eiser op grond van artikel 3 van de CAO voor het Bouwbedrijf (hierna: de CAO) de hoofdaannemers van zijn werkgever aansprakelijk had kunnen stellen binnen 5 werkdagen nadat hij op de hoogte was van de betalingsachterstand. Indien eiser de hoofdaannemers tijdig aansprakelijk had gesteld had hij over de volledige periode betaling ku Artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn verplicht de Lid-Staten de nodige maatregelen te treffen opdat waarborgfondsen onvervulde aanspraken van werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de voor een bepaalde datum vallende periode. Deze datum is overeenkomstig artikel 3, tweede lid, naar keuze van de Lid-Staten. Ingevolge artikel 8 van de Richtlijn vergewissen de Lid-Staten zich er van dat de nodige maatregelen worden getroffen om de belangen van werknemers te beschermen met betrekking tot verkregen rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen uit hooffie van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen, welke bestaan naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid. In Nederland zijn de bepalingen van de Richtlijn omgezet in de artikelen 61 tot en met 68 van de WW. Ingevolge artikel 61 van de WW zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding heeft een werknemer recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW indien hij van een werkgever die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, of die anderszins verkeert in een blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald. Ingevolge artikel 24, vijfde lid, van de WW zoals dat luidde ten tijde in geding, is de werknemer verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Wachtgeldfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Dit artikel is gelet op het bepaalde in artikel 68, tweede lid van de WW van overeenkomstige toepassing op uitkeringen als bedoeld in de artikelen 61 tot en met 68 van de WW. Tussen partijen is niet in geschil dat de artikelen 61 tot en met 68 van de WW als zodanig in overeenstemming zijn met de Richtlijn, en ook de rechtbank heeft geen aanknopingspunt om anders te oordelen. In het licht van het doel van de Richtlijn dient vervolgens evenwel te worden beoordeeld of verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn aanspraken jegens derden niet heeft geldend gemaakt. De rechtbank ziet zich daarbij gehouden tot een richtlijnconforme toetsing van de toepassing van de nationale bepalingen. Zoals reeds eerder opgemerkt beoogt de Richtlijn minimumwaarborgen te bieden, welke, zoals omgezet in de artikelen 61 tot en met 68 van de WW, als een laatste redmiddel moeten worden gezien in het geval dat een werknemer zijn uit het dienstverband voortvloeiende aanspraken niet geldend kan maken. Anders dan eiser is de rechtbank dan ook van oordeel dat bij de beoordeling of sprake is van onvervulde aanspraken in de zin van de Richtlijn de aan de werknemer toekomende aanspraken jegens derden moeten worden betrokken mits deze aanspraken - teneinde het bescherrningsoogmerk van de Richtlijn niet te ondergraven - op voldoende effectieve wijze kunnen worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de CAO voor het Bouwbedrijf kan, voor zover van belang, de hoofdaannemer door een werknemer van een onderaannemer aansprakelijk worden gesteld voor de nakoming door de onderaannemer van zijn CAO-verplichtingen tegenover die werknemer over een nader genoemde periode, althans voor zover en zolang deze werknemer op de bouwplaats van deze hoofdaannemer werkzaam is geweest. De aansprakelijkstelling dient per aangetekend schrijven dan wel via de post met ontvangstbevestiging bij de hoofdaannemer te worden ingediend binnen 5 x 24 uur nadat de werknemer ervan kennis heeft kunnen nemen dat deze onderaannemer zijn verplichtingen niet is nagekomen. Deze termijn wordt verlengd met de in deze periode vallende weekenden en feestdagen. Op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de CAO verstrekt ve