Rechtspraak 1999-12-22
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4949
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr: 98/1444 AW UITSPRAAK van de arrondissements-rechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: A, wonende te B, e i s e r e s, en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, v e r w e e r d e r. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE. Bij besluit van 26 juni 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 7 januari 1998, waarbij het begeleidingstraject door het Bureau Overplaatsing en Flexibiliteitsbeoordeling (BOF) ingaande 1 januari 1998 met een half jaar is verlengd en voorts is meegedeeld dat eiseres, indien het begeleidingstraject niet leidt tot het verkrijgen van een vaste baan, met ingang van 1 juli 1998 eervol wordt ontslagen met behoud van wachtgeld, ongegrond verklaard. Verder is bij voornoemd besluit van 26 juni 1998 het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 april 1998, waarbij aan eiseres met ingang van 1 juli 1998 eervol ontslag is verleend, gegrond verklaard, in die zin dat ontslag wordt verleend met ingang van 1 januari 1999. Namens eiseres is tegen het besluit van 26 juni 1998 op 15 juli 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Verweerder heeft op 16 september 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op 29 september 1998 een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft verweerder op 21 september 1999 inlichtingen verstrekt en stukken overgelegd. Daarna heeft verweerder desgevraagd op 5 oktober 1999 nog een stuk overgelegd. Namens eiseres is op 3 november 1999 gereageerd op eerdergenoemde door verweerder verstrekte inlichtingen en overgelegde stukken. Het geding is behandeld ter zitting van 17 november 1999, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr J.P.H. Caniels-van Veggel, advocaat te Nijmegen. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden S. Sordam, C.E.M. Staal-Meuffels en H.J. van Geelkerken, allen ambtenaar der gemeente. 2. OVERWEGINGEN. Feiten. Eiseres was sedert 22 februari 1971 in dienst van de gemeente Utrecht en sinds 1988 werkzaam als beleidsmedewerker bij het Stafbureau van de Dienst Openbare Werken. In verband met een aanstaande reorganisatie waarbij eiseresses functie zou worden opgeheven, is eiseres reeds met ingang van 7 februari 1994 op detacheringsbasis toegevoegd aan de projectmanager implementatie wijkgericht werken. In het najaar van 1994 is de nieuwe dienst Stadsbeheer opgericht. Bij besluit van 5 oktober 1994 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij niet claimgerechtigd is voor een functie binnen de nieuwe organisatie van de Dienst Stadsbeheer, aangezien eiseresses functie voor minder dan 50% of in het geheel niet terugkomt in de nieuwe organisatie, en dat artikel 3.4.4. van het Sociaal Statuut derhalve niet op haar van toepassing is. Nadat eiseres contact had gezocht met het BOF heeft op 18 oktober 1994 daarmee een eerste gesprek plaatsgevonden. Vervolgens is een loopbaanonderzoek verricht door bureau Psychotechniek. Eiseresses functie is bij besluit van 11 november 1994 met ingang van 1 januari 1995 opgeheven. Begin 1995 is voor eiseres bij een extern bureau een begeleidings-/coachings- traject uitgezet. Het doel van dit traject was eiseres te helpen de nog aanwezige emoties ten gevolge van het vervallen van haar functie alsmede problemen in de privésfeer te verwerken en vervolgens stappen te zetten naar een interne en externe marktverkenning, en voorts om te voorzien in netwerkbegeleiding en verdere persoonlijke coaching. Bij besluit van 14 maart 1995 heeft verweerder het voornemen uitgesproken om eiseres op grond van artikel 24 van het Algemeen Ambtenarenreglement (AAR) van verweerders gemeente overplaatsbaar te verklaren. Bij besluit van 12 juni 1995 is eiseres meegedeeld dat zij zal worden overgeplaatst naar een nader te bepalen tak van de dienst. Eiseres is vanaf september 1995, nadat zij een cursus Tekstverwerking had mogen volgen en een PC voor thuisgebruik in De Dienst Stadsbeheer ontving in verband met de detachering een tegemoetkoming in de loonkosten van eiseres van f 1750,- per maand. Bij brief van 22 januari 1998 heeft het Sectorhoofd Middelen van de gemeente [detacheringsgemeente] eiseres meegedeeld dat hij helaas geen toezegging kan doen over een mogelijk vast dienstverband met de gemeente [detacheringsgemeente], hoewel behoefte bestaat aan een medewerker algemene en juridische zaken met een takenpakket zoals door eiseres wordt verricht. Indien uiteindelijk door de raad van de gemeente [detacheringsgemeente] zou worden besloten om de functie van medewerker algemene en juridische zaken structureel toe te voegen aan de personeelsformatie, zal eiseres worden beschouwd als een interne kandidaat. Namens eiseres is op 6 februari 1998 tegen het besluit van 7 januari 1998 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 april 1998 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 juli 1998 eervol ontslag verleend. Namens eiseres is tegen dat besluit op 6 mei 1998 bezwaar gemaakt. Op 27 mei 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, alwaar eiseresses bezwaren tegen het besluit van 7 januari 1998 en het besluit van 16 april 1998 zijn behandeld. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Standpunten van partijen. Namens eiseres is in beroep aangegeven dat alleen bezwaren bestaan tegen het per 1 januari 1999 verleende ontslag. In dat verband is allereerst aangevoerd dat de reorganisatie is aangegrepen om de eigenlijke ontslaggrond, zijnde ongeschiktheid voor de functie anders dan wegens ziekte of gebreken, te omzeilen. Daarbij is verwezen naar correspondentie uit december 1991 betreffende het functioneren van eiseres. Verder meent eiseres dat de door verweerder geleverde inspanningen om haar binnen of buiten de gemeentelijke organisatie te herplaatsen volstrekt onvoldoende zijn geweest. Eiseres heeft zich daarentegen in voldoende mate ingespannen om een passende functie te verwerven. Daarnaast bestaat volgens eiseres op grond van het oude Sociaal Statuut een garantie van geen gedwongen ontslagen. Eiseres meent dat deze garantie voor haar geldt. Echter, ook als het nieuwe Sociaal Statuut van toepassing zou zijn, meent eiseres dat aan haar geen ontslag mag worden verleend. Uit de toelichting bij het nieuwe Sociaal Statuut blijkt volgens eiseres dat de garantie van geen gedwongen ontslagen in dat Statuut is verwerkt in de vorm van een maximale inspanningsverplichting tot behoud van werkgelegenheid. Gelet hierop geldt de garantie nog steeds, althans mag ontslag alleen als uiterste middel worden gebruikt. Eiseres meent dat het nieuwe Sociaal Statuut niet vereist dat uitzicht op of garantie voor een vaste werkplek bestaat. Volgens eiseres is in haar geval nog geen sprake van een zodanig uitzichtloze situatie dat verweerder haar ontslag had mogen verlenen. Eiseres heeft er verder op gewezen dat een ontslag in de gegeven omstandigheden onredelijk is, omdat daarmee geen recht wordt gedaan aan de inzet en loyaliteit die eiseres verweerder zoveel jaren heeft getoond. Voorts is namens eiseres aangevoerd dat zij door het ontslag in een onaanvaardbaar slechte financiële positie komt. Daarnaast vreest eiseres dat zij, mede gelet op haar leeftijd, door het ontslag in een uitzichtloze positie van thuiszitten terecht komt. Ter zitting is namens eiseres ten aanzien van de door haar te lijden financiële schade nog naar voren gebracht dat, voor zover het ontslag verder rechtmatig zou zijn, daaraan door verweerder een financiële compensatie voor die schade zou moeten worden verbonden. Eiseres lijdt een inkomensverlies ter hoogte van het verschil tussen haar wachtgeld c.q. lagere inkomsten uit arbeid en haar vroegere salaris en zij bouwt minder pensioen op. Tot slot is namens eiseres ter zitting nog meegedeeld dat zij er sinds haar ontslag nog steeds in is geslaagd om aan het werk te blijven, zij het in lager betaald werk voor minder uren en zonder of met zeer geringe pensioenopbouw. Verweerder stelt zich op het s Belangrijkste uitgangspunten daarbij waren het verantwoord omgaan met het uitgangspunt "geen gedwongen ontslagen" alsmede het verduidelijken van de rechten en plichten van zowel de kant van de werkgever als van de kant van het personeelslid. (.................). Overigens is met de vakorganisaties overeengekomen om de nieuwe tekst van het Sociaal Statuut per datum van vaststelling door het College, d.d. 2 november 1995, met directe ingang in te laten gaan. Het feit dat uitdrukkelijk is gekozen om geen overgangstermijn in te stellen heeft tot gevolg dat de bepalingen van het nieuwe Sociaal Statuut met ingang van 2 november 1995 van kracht zijn. Dit geldt niet indien vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Sociaal Statuut beslissingen zijn genomen op basis van de tekst van het oude Sociaal Statuut, bijv. in het kader van een plaatsingsprocedure, dan wel indien uitdrukkelijk de toepassing van het oude Sociaal Statuut door partijen is overeengekomen, bijv. in het Sociaal Plan. Alleen in dergelijke gevallen kunnen de bepalingen van het oude Sociaal Statuut hun geldigheid, ook na laatstgenoemde datum, behouden." De rechtbank is van oordeel - en namens verweerder is dit ter zitting ook onderschreven - dat eerdergenoemd besluit van 5 oktober 1994 een beslissing op basis van de tekst van het oude Sociaal Statuut is. Gelet op de hiervoor weergegeven passage uit de toelichting op het nieuwe Sociaal Statuut zijn derhalve de bepalingen van het oude Sociaal Statuut op en na 2 november 1995 in beginsel op eiseres van toepassing gebleven. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of ook de door verweerder gegeven garantie van geen gedwongen ontslagen in beginsel op en na 2 november 1995 van toepassing is gebleven. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerders besluit om een dergelijke garantie in het leven te roepen, onlosmakelijk is verbonden aan de werking van het oude Sociaal Statuut. Dit blijkt met name uit het feit dat verweerder op 12 september 1995 tegelijktijdig het oude Sociaal Statuut en de betreffende garantie heeft ingetrokken en heeft besloten deze garantie in het nieuwe Sociale Statuut te verwerken door het opnemen van een maximale inspanningsplichting tot behoud van werkgelegenheid. Een absolute garantie dat geen gedwongen onslag zal plaatsvinden kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet oneindig van toepassing zijn. Er komt een moment waarop in redelijkheid niet langer van een werkgever kan worden gevergd de overplaatsbaar verklaarde ambtenaar voor wie geen passende functie is gevonden nog langer in dienst te houden. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval dit moment op 1 januari 1999 gekomen was. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder in de periode van najaar 1994 tot eind 1998 zich voldoende heeft ingespannen om eiseres behulpzaam te zijn bij het vinden van een vaste betrekking. Niet alleen is door middel van het claimrecht getracht eiseres een functie bij een andere dienst te verschaffen, ook heeft eiseres een cursus tekstverwerking mogen volgen en is haar een PC ter beschikking gesteld voor thuisgebruik. Bovendien is eiseres een begeleidingstraject geboden, waarin zij ook heeft geparticipeerd, en is zij sedert haar overplaatsbaarverklaring voortdurend in staat gesteld hetzij binnen de gemeentelijke dienst, hetzij door detachering elders passende werkzaamheden te verrichten om zodoende haar kennis en ervaring en dientengevolge haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Het vorenoverwogene heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat verweerder nu er op korte termijn geen zicht was op het vinden van een passende betrekking voor eiseres bevoegd was haar met ingang van 1 januari 1999 eervol te ontslag te verlenen. Vervolgens staat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of verweerder na afweging van de terzake relevante belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Die vraag beantwo