Rechtspraak 1999-09-17
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4828
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT sector bestuursrecht nrs. Awb 99/1281 VV, 99/73 en 99/1848 Uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in de geschillen tussen: - in de zaak met de nrs. Awb 99/1281 VV en 99/1848: A, wonende te B, eiser, en de korpschef van de politie regio Utrecht, verweerder, - en - - in de zaak met nr. Awb 99/73: de korpschef van de politieregio Utrecht, eiser, en de Minister van Justitie, verweerder. Partijen zullen hierna worden aangeduid als "A", "de korpschef" en "de Minister". 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij besluit van 27 november 1997 heeft de korpschef op grond van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Jachtwet (Jw) geweigerd om A een door hem op 21 november 1997 aangevraagde jachtakte te verlenen . Tegen dit besluit is door A op 16 december 1997 administratief beroep ingesteld bij de Minister. Bij besluit van 7 december 1998 heeft de Minister het beroep gegrond verklaard en het besluit van de korpschef vernietigd, met aanwijzing aan de korpschef om, met inachtneming van de inhoud van de beschikking van de Minister, een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 12 januari 1999, genomen ter uitvoering van het besluit van de minister, heeft de korpschef op grond van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Jw opnieuw geweigerd A de door hem aangevraagde jachtakte te verlenen. Tegen dit besluit is door A op 16 februari 1999 administratief beroep ingesteld bij de Minister. De korpschef heeft op 11 januari 1999 bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen de beslissing van de Minister van 7 december 1998 (nr. Awb 99/73). Namens A is bij brief van 25 juni 1999 een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de president van de rechtbank (nr. Awb 99/1281 VV). Het verzoek is op 8 september 1999 ter zitting behandeld. A, die niet in persoon is verschenen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht. Namens de korpschef zijn mr D.E. Blonk en G.B.A. van der Wulp verschenen. De minister heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van den Broek, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Uit het bepaalde in artikel 6:18 van de Awb volgt dat het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering brengt in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking en wijziging van dat besluit. Artikel 6:19 van de Awb bepaalt dat indien een bestuursorgaan een besluit als bedoeld in artikel 6:18 heeft genomen, het bezwaar of beroep in beginsel wordt geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit. 2.3 Naar analogie van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 1996, AB 1997, nr. 68) en de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart 1998, AB 1996, nr. 341) wordt het besluit van de korpschef van 12 januari 1999 - dat genomen is ter uitvoering van en bedoeld is in de plaats te treden van het besluit van de Minister van 7 december 1998, waartegen beroep bij deze rechtbank aanhangig is - aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 Awb. Gelet op artikel 6:19 van de Awb wordt vastgesteld dat het besluit van de korpschef van 12 januari 1999 deel uitmaakt van de hiervoor vermelde bij de rechtbank aanhangige bodemprocedure en in dat kader in beginsel door de rechtbank wordt getoetst (nr. Awb 99/1848). 2. Uit het bepaalde in dit artikellid blijkt eveneens dat het de korpschef wettelijk gezien niet vrij staat om, in geval de Minister het bestreden besluit op inhoudelijke gronden vernietigt, van dit oordeel van de Minister af te wijken door de jachtakte alsnog te weigeren. 2.11 Hoewel de Minister in zijn dictum mogelijk niet geheel duidelijk is geweest en hij verzuimd heeft de in artikel 15, vierde lid, van de Jw genoemde termijn te stellen waarbinnen de korpschef de jachtakte moest verlenen, blijkt uit de inhoud van het besluit zonder meer dat de Minister van oordeel is dat de korpschef A de door hem aangevraagde jachtakte dient te verlenen. Onder die omstandigheden had de korpschef A de gevraagde jachtakte ook feitelijk moeten verlenen. Indien de korpschef zich op inhoudelijke gronden niet met het oordeel van de Minister kan verenigen - zoals hier het geval is - en hij zijn bedenkingen van zo groot gewicht acht dat hij de jachtakte niet wenst te verlenen in afwachting van de uitspraak van de rechtbank op zijn beroep, had hij op grond van artikel 8:81 van de Awb aan de president van de rechtbank kunnen vragen hem bij wijze van voorlopige voorziening te ontheffen van de uit artikel 15, vierde lid, van de Jachtwet voortvloeiende verplichting. Dat heeft de korpschef echter niet gedaan. 2.12 De korpschef heeft, door in afwijking van de aanwijzingen van de Minister, opnieuw te weigeren A een jachtakte te verlenen, gehandeld in strijd met een op hem rustende wettelijke verplichting. Reeds om die reden kan het besluit van de korpschef van 12 januari 1999 in rechte geen stand houden en komt het voor vernietiging in aanmerking. - het besluit van 7 december 1998 van de Minister (nr. Awb 99/73). 2.13 De korpschef legt aan zijn beroep tegen de beschikking van de Minister het volgende ten grondslag: a. de beschikking verhoudt zich niet met een eerdere beschikking van de Minister van 15 april 1997, waarbij een eerder administratief beroep van A tegen de korpschef ongegrond verklaard. Dit beroep was gericht tegen het besluit van de korpschef van 29 juni 1996, inhoudende de intrekking van A' jachtakte voor het seizoen 1996/1997; b. De minister miskent in zijn beschikking de rechtskracht van een uitspraak van deze rechtbank van 15 juli 1998 (reg.nr. 97/1809). Onderwerp van geschil in deze zaak was de hierboven vermelde ongegrondverklaring door de Minister van het door A ingestelde administratief beroep. 2.14 In de eerste plaats wordt overwogen dat de beschikking van 15 april 1997 en de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 1998 beide betrekking hadden op de intrekking van de jachtakte voor het seizoen 1996/1997, terwijl thans de weigering een jachtakte voor een nieuw jachtseizoen te verstrekken ter beoordeling staat. Hoewel aan de weigering van de korpschef aan A een nieuwe jachtakte te verlenen (besluit van 27 november 1997) hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als dat waarop destijds de intrekking van de jachtakte was gebaseerd, diende de Minister in zijn beslissing op het tegen het besluit van de korpschef ingesteld administratief beroep tevens alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken die zich ná de intrekking van de jachtakte en de beschikking van 15 april 1997 hebben voorgedaan. Het staat de Minister in beginsel ook vrij om in het licht van deze nieuwe feiten en omstandigheden tot een andere waardering te komen van de feiten die hij in het kader van een eerder besluit aannemelijk of juist heeft geacht. 2.15 Sinds de ongegrondverklaring van 15 april 1997 hebben zich nieuwe omstandigheden voorgedaan op grond waarvan de Minister blijkens zijn beschikking van 7 december 1998 tot een andere afweging is gekomen. Deze omstandigheden betreffen het feit dat A op 3 oktober 1997 op vordering van de officier van justitie is vrijgesproken door de kantonrechter te Wageningen en het gegeven dat het jachtgeweer waarover door A foutieve gegevens waren verstrekt, onklaar is gemaakt en aan