Rechtspraak 1999-12-24
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4818
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr: 98/2500 WET UITSPRAAK van de arrondissements-rechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: A te B e i s e r, en de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, v e r w e e r d e r. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE. Bij besluit van 27 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 april 1998, waarbij aan eiser een bijdrage van f 15.600,- is verleend op grond van de Investeringsregeling markt en concurrentiekracht, onderdeel primaire landbouw (hierna: de Regeling) en eisers aanvraag voor een bijdrage voor koematrassen is afgewezen, ongegrond verklaard. Namens eiser is tegen het besluit van 27 oktober 1998 op 8 december 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Verweerder heeft op 21 januari 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft verweerder op 7 september 1999 schriftelijk inlichtingen verstrekt en stukken overgelegd. Namens eiser zijn op 11 november 1999 de gronden van het beroep aangevuld. Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 1999, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr T.C. Topp, werkzaam bij de GIBO Adviesgroep Bedrijfskunde. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij zijn gemachtigde mr M.F. Kornman, werkzaam bij verweerders ministerie. 2. OVERWEGINGEN. Feiten. Namens eiser is bij brief van 19 november 1997 aan verweerder meegedeeld dat een aanvraag wordt ingediend voor een bijdrage op grond van de Regeling en dat zo spoedig mogelijk aanvullende informatie zal worden toegezonden. Op 29 december 1997 is namens eiser een formulier Aanvraag subsidieverlening Investeringsregeling markt en concurrentiekracht (onderdeel primaire landbouw) ingediend. Daarop is aangegeven dat eiser bezit: 46 stuks rundvee tot 1 jaar, 31 stuks vrouwelijk rundvee van 1 tot 2 jaar, 7 stuks mannelijk rundvee van 1 tot 2 jaar, 117 melk- en kalfkoeien bezit en 7 stuks fokjongvee ouder dan 2 jaar. Eiser heeft verder een bijdrage gevraagd voor een sleufvloersysteem met mestschuif voor rundveestallen voor 130 plaatsen en koematrassen voor 180 plaatsen. In januari 1998 zijn door of namens eiser met betrekking tot zijn aanvraag meerdere telefoongesprekken gevoerd met de tot verweerders ministerie behorende dienst LASER (hierna: LASER). Bij besluit van 2 april 1998 heeft verweerder aan eiser een bijdrage van f 15.600,- verleend. Voor de koematrassen is geen bijdrage verleend. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de investering niet geheel of nagenoeg geheel ten bate van melkkoeien op eisers bedrijf wordt benut, aangezien de investering is bedoeld voor melkkoeien en een behoorlijk deel van de koematrassen is bestemd voor het jongvee. Namens eiser is tegen dat besluit op 14 april 1998 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend op 26 juni 1998. Bij besluit van 2 oktober 1998 is naar aanleiding van een nieuwe aanvraag aan eiser op grond van de Regeling een bijdrage van f 4.020,- voor 134 koematrassen verleend. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Standpunten van partijen. Namens eiser is in beroep aangevoerd dat verweerder op grond van het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel zijn aanvraag voor de koematrassen die waren bedoeld voor melkkoeien, had moeten toewijzen. Eiser heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij in januari 1998 meerdere malen telefonisch contact heeft gehad met LASER, derhalve nadat de aanvraag was ingediend maar ruim voordat een beslissing op die aanvraag werd genomen. Tijdens het eerste telefoongesprek met LASER is eiser gevraagd waarom hij een bijdrage voor 180 koematrassen heeft aangevraagd, terwijl slechts 130 melkkoeien op zijn bedrijf aanwezig zijn. Eiser heeft daarop geantwoord dat 50 koematrassen zijn bedoeld voor jongvee en dat hij ervan uit is gegaan is dat ook ko Daaronder kan volgens verweerder niet worden verstaan een geval als het onderhavige, waarin eiser 50 matrassen, bestemd voor jongvee, in strijd met de voorwaarden van de Regeling in aanmerking wilde brengen voor subsidie. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 maar 1994, nr. R01.92.2758, 27 juni 1995, nr. R01.93.1645 en 2 september 1996, nr. R01.93.2539. Verweerder heeft verder aangegeven het beleid te hanteren dat strikt vastgehouden wordt aan de omschrijvingen en de definities die zijn opgenomen in de Regeling en de bijbehorende lijsten met subsidiabele investeringen. Deze lijsten scheppen duidelijkheid voor de subsidieverstrekker en de aanvrager en dit dient de rechtszekerheid en doet recht aan het vertrouwensbeginsel. Verweerder acht het belang bij handhaving van dit beleid groter dan de belangen die eiser heeft bij het verkrijgen van een bijdrage. Met betrekking tot de door eiser gevorderde schadevergoeding heeft verweerder naar voren gebracht dat daartoe geen termen aanwezig zijn, aangezien het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor zover het beroep gegrond mocht zijn, bestaat volgens verweerder geen grond voor een veroordeling in de kosten van de bezwarenprocedure, aangezien geen sprake is van het herroepen door verweerder van het primaire besluit van 2 april 1998 als gevolg van een daartegen gericht bezwaar wegens strijd met de wet en het primaire besluit ook anderszins niet onrechtmatig was. Het feit dat in tweede instantie alsnog subsidie is verleend, doet daaraan volgens verweerder niet af, aangezien die toekenning berustte op een nieuwe aanvraag, waarin subsidie werd gevraagd voor het werkelijke aantal melkkoeien. Ontvankelijkheid van het beroep. Uit de gedingstukken is de rechtbank gebleken dat verweerder inmiddels bij besluit van 2 oktober 1998 aan eiser een subsidie heeft verleend voor 134 koematrassen voor melkkoeien. Nu eiser een verzoek om schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Awb heeft gedaan, bestaat naar het oordeel van de rechtbank nog steeds een procesbelang. Een dergelijk verzoek kan immers alleen worden toegewezen bij gegrondverklaring van het beroep. Gelet hierop zal de rechtbank het onderhavige geding inhoudelijk beoordelen. Beoordeling van het geschil. De rechtbank staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht de weigering van een bijdrage voor 180 koematrassen heeft gehandhaafd. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op grond van de Regeling en de bijbehorende investeringslijst een subsidie voor koematrassen slechts kan worden verleend ten behoeve van melkkoeien en evenmin dat 130 van de koematrassen waarvoor eiser een bijdrage heeft gevraagd, waren bedoeld voor melkkoeien en 50 van die koematrassen voor jongvee. De rechtbank zal hiervan dan ook uitgaan bij de beantwoording van voormelde vraag. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de in artikel 6.1., eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling opgenomen voorwaarde, dat de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd geheel of nagenoeg geheel op het bedrijf van de aanvrager wordt benut. Uit de toelichting bij artikel 6.1. van de Regeling blijkt dat geen subsidie kan worden verstrekt voor een investering waarvan de capaciteit te groot is voor het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van een dergelijke investering, nu eiser een aanvraag heeft gedaan voor een bijdrage voor 180 koematrassen, terwijl op zijn bedrijf slechts 130 melkkoeien aanwezig waren. Dat eiser zijn aanvraag, voordat een beslissing op die aanvraag was genomen, heeft gewijzigd in die zin dat slechts een bijdrage voor 130 koematrassen wordt gevraagd, is de rechtbank niet gebleken. Dat eiser wellicht in de telefoongesprekken met LASER heeft aangegeven dat hij alleen nog maar een bijdrage voor koematra