Rechtspraak 1999-12-20
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4808
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr: 98/1486 ABW UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: A, wonende te B, e i s e r e s, en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, v e r w e e r d e r. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE. Bij besluit van 9 juni 1998 (hierna aan te duiden als het bestreden besluit) heeft verweerder het namens eiseres ingediende bezwaar tegen het besluit van 28 januari 1998, bij welk besluit verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 maart 1997 heeft ingetrokken en de van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar verstrekte bijstand tot een bedrag van f 22.955,59 (bruto) van haar heeft teruggevorderd, gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de datum van ingang van de intrekking alsmede de datum van ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd is gewijzigd in 20 maart 1997. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dat besluit op 21 juli 1998 beroep bij deze rechtbank doen instellen. Op 30 september 1998 zijn de gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 27 november 1998 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 27 september 1999 alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr M.J.W. Melchers, advocaat te Utrecht, en verweerder, ambtshalve opgeroepen om te verschijnen bij gemachtigde, zich heeft doen vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de afdeling juridische zaken van verweerders gemeente. 2. OVERWEGINGEN. In dit geding moet de vraag beantwoord worden of verweerder terecht en op goede gronden de intrekking van het recht op bijstand ingevolge de Abw van eiseres en de terugvordering van de haar verstrekte bijstand heeft gehandhaafd onder wijziging van de datum van ingang van intrekking en de datum van ingang van de periode van terugvordering in 20 maart 1997. Feiten Eiseres ontving van verweerder een uitkering ingevolge de Abw. Naar aanleiding van een vermoeden dat zij met haar gewezen echtgenoot, X, een gezamenlijke huishouding zou voeren is er door de sociale recherche van de Dienst Welzijn, afdeling Sociale Zaken, van verweerders gemeente een onderzoek ingesteld, waarvan op 6 januari 1998 rapport is uitgebracht. Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder het recht van eiseres op uitkering ingevolge de Abw met ingang van 1 maart 1997 beëindigd en de aan haar van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 verstrekte bijstand teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze beëindiging en terugvordering gehandhaafd onder wijziging van de datum van ingang van beëindiging en de datum van ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd in 20 maart 1997. Standpunten van partijen Namens eiseres is erkend dat X veelvuldig bij eiseres verbleef, doch dat dit te maken had met het feit dat eiseres en X twee zwaar gehandicapte kinderen hebben, die meer verzorging nodig hebben dan eiseres hen kan geven. Om die reden is X als vader van de kinderen veelvuldig bij eiseres aanwezig en helpt hij haar met de verzorging en opvoeding van deze kinderen. Eiseres is van mening dat aan het veelvuldig verblijf van X bij haar niet ontleend kan worden dat X bij haar in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Voorts is namens eiseres onder verwijzing naar rechtspraak en met een beroep op artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) gesteld, dat verweerder door veelvuldig te observeren in de buurt van de woning van eiseres een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op de privacy van eiseres. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres met een beroep Van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1997 luidde artikel 8l, eerste lid, van de Abw voor zover hier van belang: Indien de verplichting bedoeld in artikel 65 door belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen wordt de bijstand van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Krachtens artikel 90 wordt voor zover hier van belang onder kosten van bijstand verstaan de door de gemeente betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Beoordeling van het geschil Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres en X eerder met elkaar gehuwd zijn geweest moet, gelet op artikel 3, derde lid onder a, van de Abw nog slechts de vraag beantwoord worden of X in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf aan het adres van eiseres had. Op grond van het genoemde rapport van de sociale recherche en de daarbij opgenomen verklaringen is de rechtbank van oordeel dat X ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Ter zitting is ook niet langer bestreden dat X op de meeste dagen, meer dan de helft van de dagen per week, bij eiseres aanwezig was voor de zorg voor de kinderen, zij het dat dit in verband met zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele dag was, terwijl eiseres heeft verklaard dat X, als hij er was, ook in de woning bleef slapen. De stelling namens eiseres, dat aan dit veelvuldig verblijf van X in de woning van eiseres niet kan worden ontleend dat X zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had omdat dit verblijf noodzakelijk was voor de verzorging en opvoeding van de gehandicapte kinderen, kan de rechtbank niet volgen. Bij de beantwoording van de vraag of iemand zijn hoofdverblijf in een woning heeft zoals bedoeld in artikel 3, derde lid onder a, van de Abw is het feitelijk verblijf in die woning doorslaggevend en niet de reden van dat verblijf. Daaraan doet niet af dat het verblijf van X in de woning van eiseres, zoals ook door verweerder niet is ontkend, voor de verzorging en opvoeding van zijn gehandicapte kinderen noodzakelijk was. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiseres de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet op de hoogte te stellen van het verblijf van X in haar woning. Nu niet is bestreden dat X over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien moet geoordeeld worden dat verweerder terecht het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Abw met ingang van 20 maart 1997 heeft beëindigd en de van 20 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar verstrekte bijstand van haar heeft teruggevorderd. Met betrekking tot de door de sociale recherche verrichte observaties heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op het vonnis van de Politierechter van deze rechtbank van 12 februari 1998, gepubliceerd in NJ 1998/636. In dat vonnis werd de officier van justitie in zijn strafvordering inzake bijstandsfraude niet ontvankelijk verklaard omdat de observaties gedurende de periode van 7 september 1995 tot en met 20 november 1996, totaal 538 observaties gedurende 292 dagen, disproportioneel werden geacht. De gemachtigde van eiseres is van mening dat dit in het bestuursrecht betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank kan de gemachtigde van eiseres niet volgen in deze stelling. Niet alleen zijn in het geval van eiseres gedurende een veel kortere periode veel minder observaties verricht, ook heeft de bestuursrechter bij de beoordeling of het bestuursorgaan terecht het recht op bijstand ingevolge de Abw heeft beëindigd en terecht reeds