Rechtspraak 1999-03-23
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3904
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr.: 96/2989 AAWAO UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: [eiseres]., wonende te [woonplaats], e i s e r e s, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, als rechtsopvolger van het be- stuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging, v e r w e e r d e r. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE. Bij besluit van 25 oktober 1996 heeft verweerders rechtsvoorganger (hierna kortheidshalve mede aan te duiden als verweerder) met ingang van 10 september 1996 de uitkeringen van eiseres ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke waren berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, ingetrokken aangezien verweerder eiseres ingaande deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt heeft geacht. Namens eiseres heeft I.D.C. van den Berg, werkzaam bij de Stichting Centraal Beheer Rechtsbijstand, tegen dat besluit bij brief van 6 november 1996, aangevuld bij brief van 6 december 1996 met bijlagen, beroep bij deze rechtbank ingesteld. Vanaf 20 maart 1997 is de behandeling overgenomen door mr A.L. Mijnssen, eveneens werkzaam bij voornoemde stichting. Verweerder heeft op 21 januari 1997 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Nadien heeft verweerder vragen van de rechtbank beantwoord en nadere stukken ingezonden. Op verzoek van de rechtbank is eiseres onderzocht door de deskundige J.A. Zuidema, arts te [woonplaats], die een rapport, gedateerd 8 december 1997, heeft uitgebracht. Op 19 maart 1998 en 29 juni 1998 heeft de deskundige desgevraagd gereageerd op commentaren van de zijde van verweerder op zijn rapport. Bij brief van 31 oktober 1998 heeft de deskundige Zuidema geantwoord op nadere vragen van de rechtbank. Daarop heeft verweerder een nader commentaar gegeven. Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 1999, waar eiseres, zoals tevoren aangekondigd, niet is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.M.A.J. Wienk, juridisch medewerkster van de afdeling Bezwaar en Beroep van het districtskantoor Hilversum van GAK Nederland B.V. 2. OVERWEGINGEN. Op 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997) in werking getreden. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Invoeringswet Osv gelden besluiten van bedrijfsverenigingen als besluiten van het Lisv. Voorts is in artikel 8 van de Invoeringswet Osv bepaald dat het Lisv bij bestuursrechtelijke procedures in de plaats treedt van de betrokken bedrijfsvereniging. Op 1 januari 1998 is een groot aantal artikelen van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet van 24 april 1997, Stb. 1997, 178) alsmede van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschikt- heidsverzekeringen (Wet van 24 april 1997, Stb. 1997, 175) in werking getreden. Als gevolg daarvan en mede gelet op de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet van 24 december 1997, Stb. 1997, 794) is per 1 januari 1998 de AAW, met uitzondering van enkele in dit geding niet relevante bepalingen, ingetrokken en is per die datum de WAO gewijzigd. De vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, wordt beantwoord aan de hand van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidsregelingen zoals die luidden tot 1 januari 1998. In dit geding heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden de aan eiseres toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met ingang van 10 september 1996 heeft ingetrokken. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres, geboren op 15 november 1960, was gedurende 40 uur per week werkzaam als chemisch technologisch engineer in dienst van Akzo-Nobel Chemicals Nederland te Amersfoort. Op 18 maart 1992 is zij arbe Voor zover we in de litteratuur al criteria vinden om van een dergelijke diagnose te mogen spreken, kunnen we het beste de 'criteria van Holmes et al.' aanhouden. Het gaat daarbij om een syndroom dat gekenmerkt wordt door een ernstige en invaliderende moeheid als hoofdklacht, waardoor zowel het lichamelijk als het psychisch functioneren wordt belemmerd, met een duidelijk begin en aanwezig gedurende tenminste zes maanden voor meer dan 50% van de tijd. Kijkend naar de criteria voor het stellen van de diagnose CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom) constateer ik dat betrokkene aan deze criteria voldoet. Of we met een wel of niet algemeen 'aanvaarde' diagnose te maken hebben is voor de discussie van ondergeschikt belang. Het gaat erom of er bij betrokkene sprake is van geobjectiveerde beperkingen naar medisch oordeel die ervoor verantwoordelijk zijn dat een bepaalde taak niet verricht kan worden. Dat is bij betrokkene nadrukkelijk aan de orde." Op grond van de rapporten van de behandelend artsen alsmede van zijn eigen bevindingen constateert de deskundige dat eiseres in haar dagelijks functioneren is beperkt. De deskundige geeft aan welke beperkingen eiseres ondervond ten gevolge van de geconstateerde afwijkingen en verenigt zich met de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen, voor zover het de invulling van de zwaarte van de beperkingen betreft. De deskundige voegt daar als extra beperking aan toe dat de werkzaamheden naast deze beperkingen aan een maximale tijdsduur gebonden zijn. Hij acht eiseres in staat om gedurende 6 à 7 uur per dag gedurende vier dagen per week te functioneren. Omdat dat voorbehoud ontbreekt zijn de beperkingen naar zijn oordeel niet juist weergegeven. De deskundige acht eiseres daarom op 10 september 1996 niet in staat haar arbeid als senior scientist gedurende een volledige werkweek van 38 uur te verrichten. In een commentaar van 19 februari 1998 stelt de verzekeringsarts M. Molenaar dat het verschil van mening zich toespitst op de mate van duurbelasting bij het chronisch vermoeidheidssyndroom. De verzekeringsarts wijst erop dat de infectie die tot het CVS leidde voor 1992 plaatsvond en dat er sindsdien sprake is van een geleidelijk herstel en een wijziging van de functie. Het is altijd moeilijk om vast te stellen of iemand nu 6, 7 of 8 uur per dag kan werken, maar het gaat de verzekeringsarts te ver om een onderzoek van 1,5 uur als maatstaf voor de duurbelasting te nemen. De deskundige stelt daarop in zijn brief van 19 maart 1998 het bedenkelijk te achten dat de verzekeringsarts Molenaar evenals twee andere verzekeringsartsen die in de loop van de procedure een commentaar hebben gegeven op hetgeen eiseres heeft aangevoerd, een reactie schrijft zonder dat zij eiseres heeft onderzocht. De deskundige wijst op recent wetenschappelijk onderzoek en op de informatie van de behandelend artsen. Er kan naar het oordeel van de deskundige niet van een zorgvuldige observatie van eiseres door de verzekeringsartsen worden gesproken. Een adequate beoordeling is pas mogelijk na een intensief en langdurig onderzoek door de verzekeringsarts, of door de belastbaarheid vast te stellen aan de hand van een onderzoek op de werkplek. De deskundige wijst erop dat CVS nog steeds een onbegrepen "ziekte" is, dat een oorzaak niet bekend is en dat een adequate behandeling niet voorhanden is. In het geval van eiseres twijfelt niemand aan de diagnose CVS. Eiseres is op de goede weg maar of volledig herstel volgt valt niet te zeggen, aldus de deskundige. In een commentaar op genoemde brief stelt de verzekeringsarts Molenaar dat de verzekeringsarts die destijds de belastbaarheid van eiseres heeft vastgesteld, niet meer werkzaam is bij het Gak en dat het commentaar dan door collega's wordt geleverd op basis van de stukken in het dossier. Medisch inhoudelijk worden naar het oordeel van de verzekeringsarts geen objectieve gegevens aangeleverd waarom eiseres wel 4x7 uur per week en niet 5x7 uur per week belastbaar is. Objectieve criter