Rechtspraak 1999-08-13
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3730
431 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT PRIVATE Reg. nr: 98/1492 WAO UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., gevestigd te Zeist, eiseres, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, verweerder. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE. Bij besluit van 17 juni 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 8 januari 1998, waarbij aan eiseres een boete van f 1000,- is opgelegd wegens het niet tijdig indienen van een reïntegratieplan ten behoeve van A, ongegrond verklaard. Namens eiseres is tegen eerstgenoemd besluit op 22 juli 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend op 28 augustus 1998. Verweerder heeft op 8 oktober 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Namens eiseres zijn op 12 mei 1999 nog stukken overgelegd. Het geding is gevoegd met de gedingen met de registratienummers 98/1809 WAO, 98/1487 WAO, 98/1895 WAO, 98/2529 WAO en 98/1808 ZW behandeld ter zitting van 28 mei 1999, waar eiseres, ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, is verschenen bij mr A.C.M. van de Molen, directiesecretaris bij Commit Arbo B.V. te De Meern. Verweerder, eveneens ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich doen vertegenwoordigen door A.J.G. Lindeman, juridisch mede- werker bij het districtskantoor te Utrecht van GAK Nederland B.V. 2. OVERWEGINGEN. Feiten. A, werknemer van eiseres, is op 16 mei 1997 ongeschikt geworden tot het verrichten van zijn arbeid. Door GAK Nederland B.V. is op 17 oktober 1997 een voorlopig reïntegratieplan ontvangen. Bij brief van 9 december 1997 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat het reïntegratieplan niet tijdig is ontvangen en dat hij daarom verplicht is aan eiseres een boete op te leggen van f 1000,-. Voorts is meegedeeld dat van een boete kan worden afgezien als eiseres een deugdelijke grond kan aanvoeren voor het niet tijdig indienen van het reïntegratieplan. Bij besluit van 8 januari 1998 heeft verweerder aan eiseres een boete van f 1000,- opgelegd en aangegeven dat dit bedrag binnen 6 weken na dagtekening van dat besluit moet worden voldaan. Namens eiseres is op 17 februari 1998 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 mei 1998. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Standpunten van partijen. Namens eiseres is in bezwaar en beroep het volgende aangevoerd. - Artikel 71a van de WAO is niet overtreden, nu dit artikel alleen verplicht tot het indienen van een reïntegratieplan gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid - hetgeen in casu ook is gebeurd - en niet tot het indienen van dat plan binnen de termijn als genoemd in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet (ZW). De boete die op grond van artikel 71a van de WAO wordt opgelegd, staat gelijk aan een strafrechtelijke sanctie. Een dergelijke sanctie kan alleen worden opgelegd indien de wetsbepaling op overtreding waarvan de boete is gesteld voldoende duidelijk is. Indien die duidelijkheid niet bestaat, is oplegging van een sanctie in strijd met artikel 7 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). - Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 29a, derde lid, van de WAO, aangezien hij voorafgaand aan het opleggen van de boete niet heeft bezien of zich een dringende reden voordeed als bedoeld in dat artikellid. In het bestreden besluit dient voorts te worden aangegeven en gemotiveerd dat en waarom er geen dringende reden is. Gelet hierop is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. - Er is in het geval van eiseres sprake van een dringende reden, omdat het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel geschonden zijn. Gezien de geringe termijnoverschrijding in verhouding tot het geschade belang van verweerder is een boete van f 1000,- volkomen Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat het besluit tot invordering conform de wet is genomen, nu uit artikel 71a, vijfde lid, van de WAO voortvloeit dat op basis van het gestelde in artikel 29g, eerste lid, van de WAO het besluit waarbij de boete is opgelegd een executoriale titel oplevert in de zin van Boek 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verweerder heeft voorts verwezen naar de arresten Ozturk en Lutz, NJ 1988, 937 en 938. Hieruit blijkt dat in het geval van lichte overtredingen het niet in strijd is met het EVRM om boetes op te leggen en te incasseren, mits er voor de betrokkene maar de mogelijkheid is van een beoordeling van de boete door een onafhankelijk rechter. Verweerder meent dat de overtreding van artikel 71a van de WAO kan worden aangemerkt als een lichte overtreding, zodat de procedure voldoet aan de procedure-eisen. Beoordeling van het geschil. De rechtbank is anders dan eiseres van oordeel dat artikel 71a, eerste lid (oud), van de WAO, als ook artikel 71a, eerste lid, van de WAO, zoals dat luidde van 31 december 1997 tot 31 december 1998 (hierna: artikel 71a (nieuw) van de WAO), niet slechts verplicht tot het gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid overleggen van een reïntegratieplan. Aan de verwijzing in die bepaling naar artikel 38, eerste lid, van de ZW, bevattende een termijn voor die aangifte, te weten uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsgeschiktheid 13 weken heeft geduurd, kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere betekenis worden toegekend dan dat van een te late indiening sprake is indien de in artikel 38, eerste lid, van de ZW genoemde termijn is verstreken. Voorts volgt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 71a, tweede lid (oud), van de WAO, alsook uit artikel 71a, vierde lid (nieuw), van de WAO dat bij het zonder deugdelijke grond niet nakomen van de in het eerste lid genoemde verplichting een boete kan worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiseres uiterlijk op 15 augustus 1997 het hier aan de orde zijnde reïntegratieplan had moeten indienen, doch dit pas op 17 oktober 1997 heeft gedaan. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank artikel 71a, eerste lid, van de WAO overtreden. Nu niet is gebleken van een deugdelijke grond, als bedoeld in artikel 71a, tweede lid (oud), van de WAO diende verweerder aan eiseres in beginsel een boete op te leggen. Op grond van artikel 71a, vijfde lid (oud), van de WAO is artikel 29a, derde lid, van de WAO van overeenkomstige toepassing. In dit artikellid is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn verweerder af kan zien van het opleggen van een boete. Verweerder heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 29b, tweede lid, van de WAO bij brief van 9 december 1997 eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen een boete op te leggen. Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat van het opleggen van een boete kan worden afgezien indien eiseres een deugdelijke grond heeft voor het niet tijdig indienen van het reïntegratieplan. Niet is gebleken dat op deze brief door of namens eiseres is gereageerd, zodat geen deugdelijke reden is aangevoerd. Uit hetgeen overigens door eiseres is aangevoerd blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van feiten of omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat er mogelijk sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 29a, derde lid, van de WAO. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat, nu bedoelde feiten en omstandigheden niet zijn gesteld, verweerder niet gehouden is ambtshalve te onderzoeken of er sprake is van dringende redenen. Namens eiseres is nog aangevoerd dat in dit geval sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel, welke schending dringende redenen zouden vormen op grond waarvan van het opleggen van een boete zou moeten worden afgezien. Ongeacht of strijd met het gelijkheidsbeginsel als dringende reden of als zelfstandige grond voor het afzien van het opleggen v