Rechtspraak 1999-01-29
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3478
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT sector bestuursrecht nrs. AWB 98/1656 en AWB 98/2151 VV Uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen: de gemeente Veenendaal, eiser, en de procureur-generaal te Amsterdam, verweerder. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Bij besluit van 2 juli 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiser, gericht tegen het besluit van 19 januari 1998, inhoudende de afwijzing van het verzoek tot het benoemen van drie parkeercontroleurs tot buitengewoon opsporingsambtenaar, ongegrond verklaard. 1.2 Eiser heeft bij brief van 11 augustus 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank, waarna de gronden nader uiteengezet zijn bij schrijven van 16 oktober 1998. 1.3 Eiser heeft in de brief van 16 oktober 1998 tevens de president van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1.4 Het verzoek is op 15 januari 1999 ter zitting behandeld, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door I. Boone, ambtenaar van de gemeente Veenendaal. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr R. Goldenbeld, Commissaris van Politie toegevoegd aan de procureur-generaal bij het gerechtshof te Den Bosch, en mr F.F. de Jong, beleidsmedewerker bij het parket van de procureur-generaal te Den Bosch. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. Ten aanzien van het beroep: 2.3 Eiser heeft bij schrijven van 12 september 1997 een aanvraag gedaan bij verweerder tot het verlenen van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 142, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering aan drie medewerkers van Parkeer Groep Nederland, alsmede tot het beëdigen van betreffende medewerkers tot buitengewoon opsporingsambtenaar. Deze personen zijn aangesteld als onbezoldigd gemeenteambtenaar belast met de controle op het betaald parkeren in het centrumgebied van gemeente Veenendaal. 2.4 Verweerder heeft de benoeming geweigerd op grond van artikel 4 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (BBO). Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat opsporingsbevoegdheid op zichzelf noodzakelijk is, gezien de omstandigheid dat de betrokken parkeercontroleurs bij de uitoefening van hun functie gerede kans maken met strafbare feiten te worden geconfronteerd. Verweerder is echter van mening dat het verzoek niet moet worden ingewilligd omdat niet voldaan is aan het criterium dat een beroep op de politie voor het uitoefenen van de opsporingsbevoegdheid bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. Verweerder baseert zich daarbij op de adviezen van de korpschef van de politieregio Utrecht en de hoofdofficier van justitie in het arrondissement Utrecht. De opsporing van strafbare feiten dient alleen plaats te vinden door daartoe bevoegde opsporingsfunctionarissen behorende tot de politie of die door de politie of vanwege de politie worden aangestuurd in hun werkzaamheden. Bovendien zijn er tussen de gemeenten die deel uitmaken van het district Heuvelrug, waartoe Veenendaal behoort, in een regionaal overleg afspraken gemaakt waarbij is voorgenomen dat in het kader van de han Voorts is in de bijlage III bij de Leidraad Opsporingsambtenaren, Notitie Noodzaakcriterium Benoeming Buitengewoon Opsporingsambtenaren een tweedeling in het noodzaakcriterium gemaakt, waarbij gekeken dient te worden of de opsporingsbevoegdheid wel noodzakelijk is voor de functie van de betreffende persoon of dienst en vervolgens beoordeeld dient te worden of het bezwaarlijk, niet mogelijk c.q. niet wenselijk is een beroep op de politie te doen. Bij de feitelijke beoordeling van de mogelijkheid van beroep op politie gelden, volgens de Notitie, onder andere vragen als: is de afstand een belemmering en is het tijdstip een belemmering. 2.9 Verweerder heeft ter voorbereiding van de beslissing, waarbij inhoudelijke toetsing aan de criteria van artikel 4 plaats dient te vinden, de betrokken hoofdofficier van justitie en de regionale korpschef in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Op grond van de artikel 36, tweede lid, van het BBO is de hoofdofficier de toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar en de korpschef de direct toezichthouder. Ingevolge artikel 40, derde lid, van het BBO verschaffen de toezichthouder alsmede de direct toezichthouder de gewenste informatie over de buitengewoon opsporingsambtenaren aan onder andere de procureur-generaal. Voorts blijkt uit genoemde Notitie Noodzaakcriterium Buitengewoon Opsporingsambtenaren dat advies ingewonnen dient te worden bij de hoofdofficier van justitie en de regionaal korpschef. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat aan bedoelde adviezen groot gewicht toekomt. Weliswaar is door eiser aangevoerd dat de gebiedschef van de regionale politie de zienswijze van eiser deelt, doch vastgesteld wordt dat deze visie niet is vervat in het advies van de verantwoordelijke korpschef. 2.10 Zowel de hoofdofficier van justitie als de regionaal korpschef hebben gemotiveerd een negatief advies gegeven. Verweerder heeft het besluit in overwegende mate gebaseerd op deze genoemde adviezen. Hoewel eiser terecht heeft opgemerkt dat in beide adviezen geen, althans zeer weinig, aandacht wordt geschonken aan de door hem naar voren gebrachte praktische problemen in de feitelijke situatie, maar in overwegende mate wordt ingaan op het beoogde beleid van de overheid en de afspraken op regionaal niveau waaraan ook eiser zich conformeert, zijn deze adviezen voldoende bruikbaar voor de beoordeling van verweerder op het verzoek. Verweerder is daarnaast voldoende gemotiveerd ingegaan op de inhoudelijke bezwaren met daarbij de toetsing aan de criteria van het bepaalde in artikel 4 van het BBO. Verweerder toont daarbij begrip te hebben voor eisers argumenten, maar is van oordeel dat gelet op de doelstelling van artikel 4 van het BBO en de gemaakte afspraken binnen het regionaal overleg, politiesurveillanten ter zake een bruikbaar alternatief vormen. 2.11 Het van de zijde van eiser ter zitting aangevoerde argument dat feitelijk gezien een beroep op de politie geen bruikbare mogelijkheid is omdat de politie vaak te laat komt op de plaats van de overtreding, overtuigt niet, gelet op eisers keuze de politiesurveillanten elders in te zetten. Niet, althans onvoldoende, aannemelijk is gemaakt dat de inzet van surveillanten - ook na een wijziging in de organisatie van deze inzet - geen reële mogelijkheid is. 2.12 Op grond van het vorenoverwogene kan niet gesteld worden dat verweerder op onredelijke wijze van zijn afwijzingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. 2.13 Eiser heeft aangegeven dat de korpschef regio Utrecht bij brief van 14 september 1998 op zijn negatief advies is teruggekomen. De korpschef is, na overleg met de gebiedschef voor Veenendaal, thans van oordeel dat voldoende is aangetoond dat een beroep op de politie bezwaarlijk dan wel niet wenselijk is omdat de inzet van politiesurveillanten voor het ontbrekende stukje parkeertoezicht binnen het centrumgebied van Veenendaal zeer aan effectiviteit te wensen overlaat. In het kader van de beroepsprocedure bij de rechtbank