Rechtspraak 1999-06-30
ECLI:NL:RBSHE:1999:AA5017
Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak AWB 98/1904 AWBZ Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen [eiseres] te [woonplaats[, eiseres, gemachtigde mr. H.M.S. Cremers, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te 's-Hertogenbosch, en De Algemeen Directeur van het R.Z.G. in Groningen, verweerder, gemachtigde W. de Munck. I. PROCESVERLOOP Op 6 november 1997 heeft eiseres verweerder verzocht om vergoeding van reiskosten in verband met een psychotherapeutische behandeling. Verweerder heeft eiseres hierop doen weten dat deze kosten slechts dan voor vergoeding in aanmerking komen, indien de behandelingen voor rekening van de ziekenfondsverzekering of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) komen. Bij wijze van aanvulling van de aanvraag is vervolgens meegedeeld dat de psychotherapie van eiseres onder de AWBZ valt. Verweerder heeft eiseres op 15 december 1997 doen weten dat de gemaakte kosten niet worden vergoed, daar de behandelaar van eiseres een zogeheten eerstelijns psycholoog is, wiens behandelingen niet ten laste komen van de AWBZ. Bij schrijven van 8 januari 1998 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 januari 1998 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Namens eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld. Gevorderd is dit besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proces- en reiskosten. Verweerder heeft terzake verweer gevoerd. Namens eiseres is gerepliceerd. Nadien zijn nadere gegevens ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 20 mei 1999, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of verweerders besluit van 23 januari 1998, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de weigering van reiskostenvergoeding in verband met psychotherapeutische behandeling ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 16 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering omvat het ziekenvervoer het vervoer per auto in de omvang en onder de voorwaarden bij nadere regeling vast te stellen. Ingevolge artikel 1, tweede lid, sub d en sub e, van het Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering 1980 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 18 december 1997, nr. 974617, Stcrt. 1997, 247) heeft de verzekerde aanspraak op vergoeding van de kosten van autovervoer van en naar een niet-klinisch werkzame psychiater of zenuwarts dan wel een psychiatrische polikliniek of een instelling voor psychiatrische deeltijdbehandeling voor hulp welke ten laste van de Bijzondere ziektekostenverzekering wordt verstrekt. Blijkens de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat slechts vervoer in het kader van behandelingen die op grond van de AWBZ worden vergoed in aanmerking komt voor vergoeding. Nu de behandelend therapeut van eiseres werkzaam is als eerstelijns psycholoog en psychotherapeut komen zijn behandelingen niet voor rekening van de AWBZ, zodat vergoeding van vervoer naar en van deze therapeut niet aan de orde kan komen. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat de behandelingen van haar therapeut wél worden vergoed door de AWBZ op grond van de regeling "De vrijgevestigd psychotherapeut in een door of vanwege de RIAGG- constructie", welke onderdeel vormt van de UVO RIAGG- uitvoeringsorgaan AWBZ en is goedgekeurd door de Ziekenfondsraad d.d. 24 februari 1994. Een in het kader van deze regeling gegeven behandeling komt voor vergoeding volgens de AWBZ in aanmerking. Eerst ter zitting heeft verweerders gemachtigde erkend dat eiseres bij haar therapeut in behandeling is in het kader van de zogenaamde RIAGG-constructie, en de behandelingen door haar therapeut derhalve word