Rechtspraak 1999-02-01
ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3498
Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak AWB 96/4968 ABW Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen mevrouw A, wonende te B, eiseres, gemachtigde mr. R.C. Vermeer, advocaat te Rhenen, en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogeloon, verweerder, gemachtigde A. van de Borne. I. PROCESVERLOOP Eiseres was sedert 18 augustus 1989 gehuwd met C. Staande dat huwelijk zijn drie kinderen geboren, in 1990, 1992 en 1995. Op 13 juli 1995 heeft eiseres met haar kinderen de echtelijke woning (te E) verlaten. Daarna heeft zij haar intrek genomen in de woning van D (verder te noemen: D) te B. Met ingang van 25 september 1995 heeft verweerder aan eiseres bijstandsuitkering verstrekt naar de norm voor een één ouder-gezin met aftrek van een bedrag van f 222,- wegens het niet verschuldigd zijn van woonkosten en met een zogenaamde woningdelerskorting. Bij besluit van 6 februari 1996 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 december 1995 beëindigd op grond van de overweging dat zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde met D. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit op bezwaar van 14 mei 1996 ongegrond verklaard. Namens eiseres is tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld op bij beroepschrift aangevoerde gronden. Het beroep is behandeld ter zitting van 6 maart 1998, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich op die zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vervolgens is het onderzoek heropend teneinde van verweerder schriftelijk antwoord te verkrijgen op een door de rechtbank te stellen vraag. Bij brief van 28 april 1998 (met bijlage) heeft verweerder een vraag van de rechtbank beantwoord. Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 22 december 1998, waar van partijen verweerder bij gemachtigde is verschenen. II. OVERWEGINGEN In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder eiseresses bijstandsuitkering terecht met ingang van 1 december 1995 heeft beëindigd. Die beëindiging berust op de overweging dat eiseres duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde met D (die over zodanige middelen van bestaan beschikte dat eiseres dan niet zou zijn aangewezen op een bijstandsuitkering). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 5a, lid 2, van de (tot 1 januari 1996 geldende) Algemene Bijstandswet (ABW) kan er slechts sprake zijn van een gezamenlijke huishouding indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en in elkaars verzorging. Vaststaat dat eiseres op 1 december 1995 nog gehuwd was met C, zodat reeds om deze reden niet wordt voldaan aan de wettelijke omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding. Hierbij wordt opgemerkt dat in de tekst van de destijds geldende ABW degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is (nog) niet werd gelijkgesteld met een ongehuwde. Aan het voorgaande doet niet af dat in het eerste lid van genoemd artikel wordt gesproken over (bijstand aan) "niet met elkaar gehuwde personen". Dit gegeven sluit immers niet uit dat de in het eerste lid aangeduide kring van personen in het tweede lid wordt beperkt (het woord "slechts" in dat tweede lid kan daar ook op duiden) tot die niet met elkaar gehuwde personen die ook niet met een derde zijn gehuwd. Maar ook al zou dit anders zijn, de uitdrukking "ongehuwde personen" laat niet toe daar personen onder te begrijpen die met wie dan ook gehuwd zijn. Verweerder heeft gewezen op de door de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal gestuurde notitie "Fraudegevoeligheid van de regelgeving met betrekking tot de leefvormen in de bijstand" d.d. 19 december 1991. Op bladzijde 6 van die notitie staat vermeld dat met de zinsnede "twee ongehuwde personen" wordt ged