Rechtspraak 1999-03-25
ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3486
Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak AWB 98/3500 ABP AWB 98/171 ABP Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de geschillen tussen A, wonende te B, eiser, gemachtigde drs. A.M.A. van Esch, en De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; De Stichting USZO, verweerder, gemachtigde mr. J.H.J. van Gastel. I. PROCESVERLOOP Aan eiser is met ingang van 1 augustus 1992 door verweerder een wachtgelduitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) toegekend. Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft verweerder op eisers uitkering een sanctie in de vorm van een korting van 10% gedurende een periode van 13 weken, van 7 januari 1997 tot 8 april 1997, toegepast omdat eiser ten onrechte niet op een passende betrekking heeft gesolliciteerd. Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van 29 november 1997 ongegrond verklaard. Op de daartoe in het beroepschrift uiteengezette gronden is namens eiser tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen. Dit beroep staat bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 98/171 ABP. Bij besluit van 5 december 1997 heeft verweerder op eisers uitkering een maatregel in de vorm van vermindering van het uitkeringspercentage met 30% over 16 weken, van 15 september 1997 tot 5 januari 1998, toegepast omdat eiser ten onrechte niet heeft gesolliciteerd naar een passende vacature. Het namens eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van 23 maart 1998 gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de maatregel. De korting op de uitkering wordt verlaagd naar 20%. De periode gedurende welke de maatregel wordt toegepast, wordt niet gewijzigd. Tegen het besluit van 23 maart 1998 is namens eiser op de daartoe in het beroepschrift uiteengezette gronden beroep ingesteld en is gevorderd het bestreden besluit te vernietigen. Dit beroep staat bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 98/3500 ABP. Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 februari 1999, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN In geding is de vraag of de besluiten van 29 november 1997 en 23 maart 1997 in rechte stand kunnen houden. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder b, van het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekspersoneel (BWOO) dient een betrokkene te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij of in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen (onder ten eerste), dan wel nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt (onder ten tweede), door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt (onder ten derde) of in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren (onder ten vierde). Als passende arbeid wordt beschouwd (artikel 10 lid 3 BWOO) alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Indien een verplichting als hiervoor omschreven niet wordt nagekomen, dan is het uitkeringsorgaan op grond van artikel 13, eerste lid van het BWOO bevoegd de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken. De rechtbank overweegt dat allereerst beoordeeld dient te worden of het verrichten van werkzaamheden als docent Nederlands voor eiser als passende arbeid in de zin van artikel 10, derde lid van het BWOO kan worden aangemerkt. Blijkens de gedingstukken ligt aan beide besluiten het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiser bekwaam