Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2010-04-28
ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9749
Bestuursrecht
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 3, meervoudige kamer Regnr.: AWB 10/2723 BEPTDN UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, en de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie, verweerder. I PROCESVERLOOP Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1992 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in Nederland. Op 6 maart 2009 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Verweerder heeft op 8 oktober 2009 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bij schrijven van 21 januari 2010 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 april 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [B]. Tevens was ter zitting aanwezig A.O. Adam, tolk in de Somalische taal. II OVERWEGINGEN 1Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 343/2003). 2 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Vo 343/2003, behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Vo 343/2003 genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Vo 343/2003, voor zover thans van belang, kan verweerder, in afwijking van het eerste lid, een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vo 343/2003 wordt indien de om terugname verzochte de lidstaat niet reageert binnen de onder b genoemde termijn van één maand of twee weken, hij geacht in te stemmen met terugname van de asielzoeker. Italië heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek, zodat Italië op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vo 343/2003 wordt geacht in te stemmen met terugname van eiser. Krachtens het door verweerder ter zake gevoerde beleid in paragraaf C3/2.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 wordt van de mogelijkheid het asielverzoek zelf te behandelen terughoudend gebruik gemaakt. Ingevolge paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vc 2000 gaat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten principale vanuit dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het is in dat geval volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) aan eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door Italië van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd (zie onder meer de uitspraken van de ABRS van 30 oktober 2009, LJN BK2300, BK2240 en BK2296). Eerst indien hij daarin is geslaagd, kan verweerder niet langer volstaan met een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is het aan hem om concreet te weerleggen dat eiser bedoelde risico's loopt. 3 Eiser heeft - samengevat - het volgende aangevoerd. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag worden uitgegaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen jegens eiser zal nakomen. Italië zal ten aanzien van eiser zijn verdragsverplichtingen niet naleven, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat Italië verweerders claim niet actief heeft geaccepteerd. De bewijslast wordt ten onrechte bij eiser neergelegd. Voorts houdt Italië zich niet aan de Procedure- en de Opvangrichtlijn. Eiser loopt bij terugkeer naar Italië het risico te worden blootgesteld aan een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Nu eiser minderjarig is heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 6 van de Vo 343/2003 en in strijd met het beleid gehandeld. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft eiser verwezen naar de volgende stukken: - jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), waaronder het arrest inzake Ben Khemais tegen Italië van 24 februari 2009, nr. 246/07, alsmede diverse interim measures; - artikelen in het Parool en het NRC van 1 april 2009 en 8 mei 2009, betreffende het zonder nadere toets terugsturen van asielzoekers naar Libië; - het artikel van A. Ricci Ascoli, Nieuwsbrief Asiel- en Vluchtelingenrecht (NAV) van juni 2009, nr. 3; - het rapport van Thomas Hammarberg van 16 april 2009; - de uitspraak van het Bundesverfassungsgericht, nr. 2BvQ56/09, van 8 september 2009; - de noten van H. Battjes bij de uitspraken van de ABRS van 31 augustus 2009, (JV 2009/389) en 30 oktober 2009, (JV 2009/482 en 483). 4 De rechtbank overweegt als volgt. 4.1 Ten aanzien van eisers beroep op artikel 6 van de Vo 343/2003 en eisers stelling dat de positie van minderjarige asielzoekers in Italië zorgwekkend is, overweegt de rechtbank dat eiser ten tijde van een eventuele overdacht naar Italië meerderjarig zal zijn, zodat reeds hierom geen belang meer bestaat bij bespreking van deze gronden. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat geen sprake is van een voogd als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder i, sub iii, van de Vo 343/2003 nu deze bepaling ziet op gezinsleden, waaronder een voogd voor zover het gezin reeds in het land van herkomst bestond. Tevens overweegt de rechtbank ten overvloede dat artikel 6 van de Vo 343/2003 niet van toepassing is nu eiser blijkens een registratie in het Eurodac systeem in Italië een asielverzoek heeft ingediend en Italië daarom om terugname van eiser is verzocht.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 6 — Besluit volmacht en machtiging programmamanager project 200 jaar Koninkrijk 2010
- Artikel 2 — Besluit volmacht en machtiging programmamanager project 200 jaar Koninkrijk 2010
- Artikel 3 — Besluit volmacht en machtiging programmamanager project 200 jaar Koninkrijk 2010
- Artikel 8_77 — Algemene wet bestuursrecht