Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2009-12-09
ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6039
Bestuursrecht
RECHTBANK ’S GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer, meervoudig Nevenzittingsplaats Rotterdam Reg.nr.: AWB 09/26195 V-nummer: Inzake: [eiser], eiser, gemachtigde mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A.J.R. Maas. I Procesverloop 1 Eiser, geboren op [1965], bezit de Turkse nationaliteit. Op 2 september 2008 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met als doel ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’. Bij besluit van 15 januari 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 januari 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 2 Bij brief van 20 juli 2009 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. 3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden. II Overwegingen 1.1 Ingevolge artikel 9 van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst) erkennen de overeenkomstsluitende partijen dat binnen de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel. 1.2 Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol van 23 november 1970 behorend bij de Associatie¬overeenkomst voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (hierna: de standstillbepaling). 1.3 Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. 1.4 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met het verrichten van arbeid als zelfstandige. 1.5 Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die: a. arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands belang is gediend; b. uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en c. voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf. 1.6 Het beleid met betrekking tot vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen is neergelegd in paragraaf B5/7 van de Vreemdelingen-circulaire 2000 (Vc 2000). 2 De rechtbank oordeelt als volgt. 2.1 In geschil is onder meer de vraag of de criteria aan de hand waarvan verweerder heeft beoordeeld of met de (beoogde) bedrijfsactiviteiten van eiser een wezenlijk Nederlands belang als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wordt gediend in strijd zijn met de standstillbepaling. 2.2 Bij brief van 8 januari 2008 heeft de Minister van Economische Zaken verweerder medegedeeld dat de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning is getoetst aan de Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 21 november 2007 (hierna: de Beleidsregel) en dat naar aanleiding daarvan een negatief advies wordt afgegeven. Het advies vermeldt dat eiser op de onderdelen ‘Persoonlijke ervaring’, ‘Ondernemingsplan’ en ‘Toegevoegde Waarde’ een score van minder dan 30 punten heeft behaald. Onder verwijzing naar dit advies heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat met de (beoogde) bedrijfsactiviteiten van eiser geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. 2.3 Eiser betwist niet de juistheid van de inhoud van het advies van de Minister van Economische Zaken, maar betoogt dat de Beleidsregel en de uitvoering daarvan een beperking oplevert ten opzichte van de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van de standstillbepaling op 1 januari 1973. Hij verwijst daarbij naar de brieven van de Minister van Economische Zaken van 23 januari 2009 en 19 mei 2009 waarin deze antwoord geeft op vragen van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in de procedure met het registratienummer AWB 07/6601. Uit de overgelegde brieven en de daarbij behorende bijlagen kan volgens eiser worden afgeleid dat op 1 januari 1973 een aanmoedigingsbeleid werd gevoerd ten opzichte van Turkse zelfstandigen en dat enkel werd beoordeeld of de onderneming levensvatbaar was. 2.4 In de uitspraak van 25 september 2008 (LJN BG1902) heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, geoordeeld dat het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’ inhield en inhoudt, dat van de vreemdeling wordt verwacht dat hij een positieve bijdrage levert aan de Nederlandse economie. De gedachte achter dat criterium is, dat de vreemdeling voorziet in een behoefte, waarin nog niet (voldoende) voorzien is. Wanneer de feitelijke situatie verandert - een bepaalde behoefte verdwijnt, of er wordt in voldoende mate in voorzien - dan zal dat leiden tot een andere uitkomst. Beoordeling van concrete gevallen aan een open norm brengt de noodzaak van invulling van die norm in beleid met zich. Deze invulling is noodzakelijk, omdat anders de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid in het gedrang komen. Het beleid dient gebaseerd te zijn op de actuele economische situatie, met dien verstande, dat een dagelijkse aanpassing van het beleid feitelijk onmogelijk is en dat derhalve het aanpassen van het beleid met tussenpozen geschiedt. Zolang veranderingen in het beleid gelijke tred houden met de feitelijke ontwikkelingen die eraan ten grondslag liggen, kan niet worden geoordeeld dat een strengere norm wordt gehanteerd. 2.5 De in de brief van de Minister van Economische Zaken van 19 mei 2009 beschreven ontwikkeling, waarbij bepaalde groepen niet langer werden vrijgesteld van bepaalde vereisten van de toenmalige Vestigingswet (de rechtbank begrijpt: de Vestigingswet Bedrijven 1954 en de Vestigingswet detailhandel, met hun uitvoerings¬besluiten en regelingen), dient naar het oordeel van de rechtbank als een beperking in de zin van de standstillbepaling te worden aangemerkt, nu deze wijziging niet louter was ingegeven door een veranderende economische situatie. Dit doet evenwel niets af aan het bestreden besluit, nu de hierboven aangeduide vestigingswetgeving inmiddels is afgeschaft (Stb 1995, 607 en 2007, 232) en de daarbij gestelde eisen dan ook niet aan eiser zijn tegengeworpen. Uit de overige in de brieven van 23 januari 2009 en 19 mei 2009 en de bijbehorende bijlagen beschreven ontwikkelingen en beleidswijzigingen leidt de rechtbank af dat sprake is van een, in de loop der jaren als gevolg van de zich wijzigende economische situatie, veranderende inkleuring van het criterium wezenlijk Nederlands belang. Uit de brieven van de Minister van Economische Zaken volgt niet dat het criterium wezenlijk Nederlands belang thans strenger wordt gehanteerd dan in 1973 het geval was.