Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2007-05-03
ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4780
Bestuursrecht
Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht derde afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 06/5007 MAW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Commandant Koninklijke Marechaussee, verweerder. I. Ontstaan en loop van het geding 1. Eiser, wachtmeester der eerste klasse bij de Koninklijke Marechaussee (KMar), behoort tot de categorie wachtmeester (wmr) specifiek. Eiser heeft naar aanleiding van de brief van 4 april 2005 van de Bevelhebber der KMar, waarin doorstroming van de categorie wmr specifiek naar bovenbouwfuncties wordt opengesteld, verzocht om ingedeeld te worden bij het bestand der wachtmeesters categoraal onder gelijktijdige toelating tot de Hogere Onderofficiersvorming KMar (HOOV KMar). 2. Eiser heeft op 27 juni 2005 deelgenomen aan een assessment. 3. Bij ongedateerd besluit, ontvangen door eiser op 18 november 2005, heeft het Hoofd selectie advies commissie HOOV wmr-spec eiser medegedeeld dat hij niet is geselecteerd voor een plaats op de HOOV KMar. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 november 2005 bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 4. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 juni 2006, ingekomen bij de rechtbank op 19 juni 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 22 maart 2007 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.H. ten Wolde als zijn raadsvrouwe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [....] II. Motivering 1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit allereerst op het standpunt gesteld dat aan het ongedateerde primaire besluit, door eiser ontvangen op 18 november 2005, een bevoegdheidsgebrek kleeft, nu dit besluit genomen had dienen te worden namens verweerder. Het bevoegd gezag neemt het primaire besluit geheel voor zijn rekening en het bevoegdheidsgebrek wordt met verwijzing naar artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht te zijn hersteld. Eiser wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad, aldus verweerder. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiser niet ten onrechte voor het volgen van de HOOV KMar is afgewezen. Verweerder stelt dat de selectiemethode zoals opgenomen in de brief van 4 april 2005 redelijk is te achten. Uit de selectiemethode volgt dat het niet is toegestaan om eisers opgedane ervaring en de omtrent hem uitgebrachte beoordelingen mee te wegen. Zou dit wel zo zijn, dan wordt de selectiemethode niet meer op een voor iedereen gelijke wijze toegepast. Verweerder meent dat geen aanleiding bestaat om het standpunt van eiser dat aan de Potentieel Inschattingsrapportage (PIR) een meerwaarde moet worden gehecht te volgen. Gekozen is voor een selectie die bestond uit diverse onderdelen, waardoor aan de PIR een bepaalde wegingsfactor wordt toegekend. Verweerder meent tenslotte dat eiser, gelet op het tevoren vastgesteld Protocol selectie wmr specifiek (hierna: het Protocol), had kunnen zien dat eisers score de toelating tot de HOOV KMar onmogelijk maakte. 2. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat nu enerzijds uit het assessment is gebleken dat hij bij de capaciteitentest op het onderdeel "ruimtelijk inzicht" gemiddeld respectievelijk het onderdeel "figurenreeksen" matig scoort, terwijl anderzijds uit de over hem opgemaakte PIR blijkt dat hij juist goed scoort, geenszins eenduidig kan worden geconcludeerd dat hij over onvoldoende capaciteiten zou beschikken om te kunnen functioneren op het niveau van opperwachtmeester (owmr). De uitkomst van het selectieresultaat wordt dusdanig innerlijk tegenstrijdig geacht dat het geen basis kan vormen voor een eensluidend en gefundeerd oordeel. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:9 van de Awb door zich er niet van te vergewissen of het omtrent eiser gehouden onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Verweerder had hiertoe, gelet op de grote tegenstelling tussen de uitkomsten van het assessment en de PIR, aanleiding moeten zien. 3.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement kan de militair, al dan niet op eigen aanvraag - in voorkomend geval bij toepassing van artikel 20 dan wel artikel 43, eerste lid - worden aangewezen voor het volgen van een opleiding ter verkrijging van de benodigde kennis en vaardigheid voor de vervulling van functies binnen andere groepen van functies dan waarvoor hij tot dan toe was bestemd. 3.2 Ingevolge artikel 2 van de Regeling opleidingen militairen (hierna: ROM) vindt aanwijzing voor een opleiding door de bevelhebber plaats op grond van a. de behoefte van de organisatie, en b. de beschikbaarheid en de geschiktheid van de militair. 3.3 In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de ROM wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan onder de bevelhebber: de bevelhebber van het desbetreffende krijgsmachtdeel of de commandant van het wapen der KMar. 4. Allereerst overweegt de rechtbank dat het primaire besluit weliswaar onbevoegd is genomen, maar dat dit bevoegdheidsgebrek bij het bestreden besluit is geheeld. Het bestreden besluit is bevoegd genomen door verweerder en daarin heeft verweerder aangegeven dat hij het primaire besluit in zijn geheel voor zijn rekening neemt. 5. De rechtbank stelt voorop dat een besluit in een procedure als de onderhavige het resultaat is van een afwegingsproces, waarbij de capaciteiten van de betrokkene tegen de functie-eisen worden afgezet. Nu het bestuursorgaan daarbij een grote beoordelingsruimte en afwegingsvrijheid heeft, is de rechterlijke toetsing terughoudend. 5.1.1 De selectieprocedure voor de HOOV, zoals hier aan de orde, is uitgevoerd aan de hand van het tevoren vastgestelde Protocol selectie wachtmeester specifiek voor middenkaderniveau (hierna: het Protocol). Volgens het Protocol wordt bij de capaciteitentest de score per onderdeel vastgesteld in een schaal van 1 tot 10. Een kandidaat scoort in ieder geval positief op de capaciteitentest indien hij op alle onderdelen een 5 of hoger scoort. Een negatieve score wordt meegenomen met de groep reserve (2), mits wel gemiddeld een 5 - waarbij geen enkel onderdeel onder de 4 - is gescoord. Indien bij de capaciteitentest is gescoord binnen de hiervoor genoemde marge, volgt tevens beoordeling van de resultaten bij de persoonlijkheidsvragen in combinatie met een interview. In het uiteindelijk advies worden de capaciteitentest en de persoonlijkheidsvragen in een bepaalde verhouding gewogen, hetgeen resulteert in een advies van het Instituut voor Keuring en Selectie Defensie (hierna: IKS-advies) op basis van het assessment, zoals is vermeld in Tabel 1 van het Protocol. Vervolgens worden voornoemd IKS-advies en de PIR in een bepaalde verhouding gewogen, hetgeen resulteert in een Geschiktheidsvolgorde ten behoeve van het SAC-eindoordeel, zoals vermeld in Tabel 2 van het Protocol. De rechtbank is van oordeel dat met voornoemde selectiemethode de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet zijn overschreden. 5.1.2 Niet in geschil is dat eiser bij de capaciteitentest op twee onderdelen een 5, op één onderdeel een 4 en op één onderdeel een 3 heeft gescoord. Hiermee is niet gemiddeld een 5 gescoord en bovendien is op een enkel onderdeel onder de 4 gescoord. Hierdoor heeft eiser, gelet op het Protocol, een zodanig negatieve score bij de capaciteitentest behaald dat hij niet kan worden meegenomen met de groep reserve en verdere deelname aan de selectie niet mogelijk is.