Rechtspraak {'name': "Rechtbank 's-Gravenhage", 'resource_id': 'http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtb 2003-01-22
ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9507
{'name': 'Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht', 'resource_id': 'http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied
Rechtbank 's-Gravenhage nevenzittingsplaats Alkmaar enkelvoudige kamer voorzieningenrechter U I T S P R A A K artikel 8:70 en artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 3a Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (Wet COA) reg.nr: AWB 02/92434 COA (beroep) AWB 02/92433 COA (voorlopige voorziening) inzake: 1. A, geboren op [...] 1962, mede ten behoeve van haar minderjarige dochter B, geboren op [...] 1987, en 2. C, geboren op [...] 1983, allen van Somalische nationaliteit, wonende te D, eiseressen/verzoeksters, hierna: eiseressen gemachtigde: mr. V. Kuit, advocaat te Amsterdam, tegen: Het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder, gevestigd te Rijswijk, gemachtigden: mr. E.W. van Blommestein en mr. G. Turksema. I. Procesverloop 1. Bij beschikkingen van 22 november 2002 heeft verweerder ten aanzien van eiseressen de verstrekkingen in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (hierna: Rva 1997) met onmiddellijke ingang beëindigd. Verweerder heeft bepaald dat indien beroep wordt ingesteld dit de werking van de besluiten niet zal schorsen. 2. Bij gemotiveerd beroepschrift van 11 december 2002 hebben eiseressen tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn nader aangevuld bij brieven van 2 januari 2003 en 7 januari 2003. Tevens is op 11 december 2002 door eiseressen verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt de werking van de bestreden besluiten te schorsen totdat is beslist op het beroep. In het verweerschrift van 6 januari 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2003. Eiseressen zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigden. II. Standpunten 1. Verweerder stelt dat de verstrekkingen in het kader van de Rva 1997 terecht zijn beëindigd nu eiseressen geen recht meer hebben op verstrekkingen, en er ook niet op basis van het Stappenplan III tot voortzetting van de verstrekkingen kan worden besloten. Voor deze voortzetting is nodig dat eiseressen voldoen aan het zogenoemde meewerkcriterium uit dit Stappenplan, en eiseressen voldoen hieraan niet. Verweerder heeft de vaststelling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 1 november 2002, dat eiseressen niet aan het meewerkcriterium voldoen nu zij onvoldoende activiteiten hebben ondernomen om aan een reisdocument te komen, marginaal getoetst en vervolgens overgenomen als grondslag voor de beëindigingbesluiten. Verweerder stelt dat (ook) van Somalische vreemdelingen kan worden verlangd dat zij zich inspannen teneinde mee te werken aan terugkeer naar Somalië. Feitelijke terugkeer naar Somalië is niet onmogelijk. Nu Somalië geen internationaal erkende regering heeft kunnen eiseressen niet in het bezit komen van reisdocumenten die zijn afgegeven door daartoe bevoegde instanties, maar van hen kan worden verlangd dat zij activiteiten verrichten met het oog op het verkrijgen van reisdocumenten die zijn verstrekt door daartoe niet bevoegde instanties. 2. Eiseressen stellen dat de verstrekkingen in het kader van de Rva 1997 ten onrechte zijn beëindigd nu op basis van het Stappenplan III moet worden geoordeeld dat niet tot beëindiging kan worden besloten. Primair stellen eiseressen daartoe dat Somaliërs per definitie voldoen aan het meewerkcriterium, nu er geen bevoegde Somalische autoriteiten zijn die reisdocumenten kunnen afgeven. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 23 juli 2002 (2002/291 KG) en Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/18 (Stcrt. 2002, 107). Subsidiair stellen eiseressen dat zij genoegzaam meewerken aan hun terugkeer naar Somalië, nu zij activiteiten hebben ondernomen gericht op het verkrijgen van documenten. III. Overwegingen Ten aanzien van het beroep 1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet COA is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA kan de Minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3 Wet COA. De Rva 1997 strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COA. Bij de beoordeling of de verstrekkingen aan een uitgeprocedeerde asielzoeker worden voortgezet, wordt het "herzien stappenplan beëindigen opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asielzoekers " gevolgd (Stcrt. 1999, nr. 53, p. 24), thans vervangen door de " herziene werkwijze voor stappenplan III " (Stcrt. 8 juli 2002, nr. 127, p. 7). Volgens laatstgenoemd plan worden verstrekkingen beëindigd, indien geconstateerd wordt dat de vreemdeling geen medewerking verleent aan terugkeer of vertrek naar het land van herkomst of een ander land waar de toelating gewaarborgd is. 2. Thans is aan de orde de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten het standpunt van de IND, dat eiseressen niet voldoen aan het in het Stappenplan III neergelegde meewerkcriterium, te volgen. 3. Daartoe dient eerst te worden vastgesteld of verweerder de in dit standpunt vervatte vooronderstelling dat van Somaliërs in het algemeen kan worden gevergd te voldoen aan dit criterium, mocht overnemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat niet in redelijkheid kon menen, nu vaststaat dat Somaliërs niet kunnen beschikken over documenten afgegeven door daartoe bevoegde autoriteiten. Deze feitelijke vaststelling is overigens ook reeds neergelegd in TBV 2002/18, waarin onder meer is opgemerkt dat "... ten aanzien van onderdanen van Somalië (wordt) in het algemeen gesteld dat zij geacht worden te hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding....". Het standpunt van verweerder dat onder meewerken aan terugkeer naar het land van herkomst ook valt het (verrichten van activiteiten gericht op het) verkrijgen van reisdocumenten "die zijn afgegeven door niet bevoegde autoriteiten" wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat het Stappenplan III uitgaat van documenten afkomstig van bevoegde autoriteiten en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 30 september 2002 (nr. 200204119/1) heeft overwogen dat het van belang is "of de vreemdeling zich zodanig heeft ingespannen om documenten te verkrijgen, dat met vrucht aan de diplomatieke vertegenwoordiging van zijn land van herkomst afgifte van een reisdocument kon worden verzocht". Voorts is van belang dat verweerder niet heeft aangegeven welke niet bevoegde autoriteiten reisdocumenten zouden kunnen afgeven waarmee daadwerkelijk naar Somalië kan worden teruggekeerd. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder reeds op deze grond niet in redelijkheid heeft kunnen stellen dat eiseressen niet voldoen aan het meewerkcriterium. 4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook op basis van de door eiseressen verrichte inspanningen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseressen niet aan het meewerkcriterium hebben voldaan, nu eiseressen vóór de bestreden besluiten meerdere pogingen hebben ondernomen om reisdocumenten te verkrijgen. Het meewerkcriterium behelst volgens het Stappenplan III en eveneens volgens verweerder een inspanningsverplichting.