Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2003-05-23
ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9307
Bestuursrecht
Rechtbank ‘s-Gravenhage sector bestuursrecht eerste afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 02/4153 WAO UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 25 november 1999 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 23 september 1999 een voorschot op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Bij besluit van 2 augustus 2001 heeft verweerder een WAO-uitkering met ingang van 23 september 1999 geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 15% is. Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij over de periode van 23 september 1999 tot en met 31 augustus 2001 teveel aan uitkering heeft ontvangen en dat het over deze periode ontvangen bedrag van ¦ 53.256,37 van eiseres wordt teruggevorderd. Bij besluit gedateerd 14 september 2002 (lees: 14 oktober 2002) heeft verweerder het tegen de besluiten van 2 augustus 2001 en 19 oktober 2001 door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 oktober 2002, ingekomen bij de rechtbank op 31 oktober 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 24 april 2003 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.F.A.A.A.M. van de Pol, advocaat te Den Haag. Verweerder is niet verschenen. De Rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 29,-, vergoedt; veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-, welk bedrag het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres moet vergoeden. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2003, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H. Peper. Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage, Verzonden op: Mate van arbeidsongeschiktheid Eiseres is op 24 september 1998 uitgevallen voor haar werk als agrarisch medewerkster in verband met hoofdpijnklachten, rugpijn, moeheid en psychische klachten. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 23 september 1999, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, waardoor zij niet langer geschikt is voor het verrichten van de eigen arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatvrouwloon levert volgens verweerder een verlies aan verdiencapaciteit op van 4,6 %. De rechtbank vindt in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiseres door de verzekeringsarts N.L. van Luntesburg op 29 september 2000 lichamelijk is onderzocht. Vervolgens heeft deze arts aanvullende informatie opgevraagd bij de behandelende sector. Mede op basis van deze informatie en het lichamelijke onderzoek van eiseres op 6 juni 2001 heeft de verzekeringsarts R.G.J. van der Boom vastgesteld dat eiseres matige, objectiveerbare, lichamelijke beperkingen heeft met betrekking tot algemeen zwaar lichamelijke arbeid, langdurig staand werk, zeer langdurig lopen, bovenhands werken, gebogen werken, knielen/kruipen/hurken, zwaar tillen en dragen en het werken op grote hoogte. Er zijn geen objectiveerbare psychische beperkingen. De arts heeft geconcludeerd dat eiseres sinds 23 september 1999 onveranderd geschikt is voor passende arbeid. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger aan de hand van de door eiseres naar voren gebrachte medische bezwaren de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts eiseres op 17 juni 2002 onderzocht. Tevens heeft deze arts informatie ingewonnen bij de behandelende sector. Deze arts heeft geconcludeerd dat de voor arbeid benutbare mogelijkheden juist en zorgvuldig door de primaire verzekeringsartsen zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft eiseres geschikt geacht voor passend werk. Op basis van hetgeen door eiseres is aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat uit deze onderzoeken niet voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor eiseres geldende beperkingen te kunnen komen. Eiseres heeft voorts in beroep geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de door eiseres overgelegde brief van de huisarts De Jong niet blijkt dat deze gegevens betrekking hebben op de in geding zijnde datum van 23 september 1999. Uit deze brief kan evenmin worden opgemaakt dat het belastbaarheidspatroon onjuist is vastgesteld. Dat eiseres thans nog wegens lichamelijke en psychische klachten in behandeling is bij artsen en specialisten is onvoldoende grond om aan te nemen dat de bezwaarverzekeringsarts eiseres ten onrechte wegens deze klachten niet volledig arbeidsongeschikt heeft geacht. Tot op heden is immers niets naders bekend geworden over de eventuele invloed van de door eiseres gestelde klachten op haar geschiktheid voor arbeid. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de verzekeringsarts Van der Boom mocht onderschrijven. Mede in verband hiermee acht de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk. Over de door de arbeidsdeskundige geduide functies heeft verweerder in zijn verweerschrift aangegeven dat de actualisering van deze functies niet toereikend is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 11 april 2003 geconcludeerd dat alle functies, met uitzondering van de functie van assemblagemedewerker, ook per 23 maart 1998, anderhalf jaar voor de in geding zijnde datum, voorkomen. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat er voldoende functies voor eiseres kunnen worden geduid. De rechtbank stelt vast dat de omschrijvingen van de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon. Voor zover sprake is van zogenoemde markeringen (*) bij de resterende functies, is naar het oordeel van de rechtbank in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 20 juli 2001, waarin een weergave staat van het overleg dat hieromtrent heeft plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiseres op de in geding zijnde datum. Afdoende is uiteengezet dat bij de functies ‘sorteerder aardappelen’ en ‘strijker’ weliswaar sprake is van overschrijding van de maximale toegestane frequentie op items 4 (‘traplopen’), 13 (‘tillen’) en 14 (‘duwen en trekken’), maar dat deze voldoende worden gecompenseerd doordat de maximale belasting wordt onderschreden. Voorts hebben de markeringen bij item 27 geen betrekking op een voor eiseres geldende beperking, nu deze niet betreffen het werken op grote hoogte. Eiseres was dan ook per 23 september 1999 in staat te achten de door de bezwaararbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten. Verweerder heeft de geselecteerde functies derhalve op goede gronden gebruikt voor de schatting. Aangezien eiseres met het vervullen van die functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatvrouwloon het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt, heeft verweerder terecht geweigerd eiseres een uitkering toe te kennen. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door een termijn van korter dan twee maanden te hanteren tussen de aanzegging van het besluit en het besluit van 2 augustus 2001. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, zoals blijkt uit de uitspraak van 21 februari 1992, gepubliceerd in RSV 1992/211, dat in gevallen waarin de verzekerde reeds in het genot van een uitkering is een uitlooptermijn in acht dient te worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit evenwel niet naar analogie voor een geval als het onderhavige waarin sprake is van een voorschot op een WAO-uitkering in afwachting van de bepaling van het arbeidsongeschiktheidspercentage per einde wachttijd. De strekking van het aanhouden van een uitlooptermijn is immers dat de verzekerde voldoende ruimte wordt geboden voor het vinden van een oplossing voor het plotsklaps wegvallen van (een deel van) zijn inkomsten. Met de toekenning van het voorschot aan eiseres stond evenwel niet vast staat dat zij arbeidsongeschikt was, zodat zij er niet op mocht vertrouwen dat zij recht had op een WAO-uitkering. Zij diende er op bedacht te zijn dat de betaling van het voorschot zou worden gestaakt op het moment dat zij niet arbeidsongeschikt bleek, hetgeen ook uitdrukkelijk is vermeld in het besluit van 25 september 1999. Terugvordering Uit het voorgaande volgt dat, nu eiseres geen recht op een WAO-uitkering heeft, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voorschot aan eiseres ten onrechte is verstrekt. Nu verweerder ingevolge de imperatieve redactie van artikel 57, eerste lid, van de WAO gehouden is de uitkering die onverschuldigd is betaald terug te vorderen van de belanghebbende, zal de rechtbank het besluit de verstrekte voorschotten (volledig) terug te vorderen slechts dan kunnen aantasten indien verweerder in strijd heeft gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur.