Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2003-01-20
ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6901
Bestuursrecht
Voorzieningenrechter van de Rechtbank ‘s-Gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer zittinghoudende te Maastricht __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:83, derde lid, artikel 8:1 en artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 7.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 __________________________________________________ Reg.nr : AWB 03/1511 BEPTDN Inzake : A, verzoeker. Gemachtigde, mr. C.L.J.M. Wilhelmus, advocaat te Sittard, tegen : het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op onbekende datum heeft verweerder beslist verzoeker, geboren op [...] 1972, zijn echtgenote B, geboren op [...] 1978, en hun zoon C op 7 januari 2002 over te plaatsen naar het Asielzoekerscentrum D. Hiertegen hebben verzoeker en zijn echtgenote op 7 januari 2003 bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift heeft mede betrekking op de minderjarige kinderen van verzoeker. Op 7 januari 2003 heeft verzoeker, mede namens zijn echtgenote en hun minderjarige kinderen, de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt het aangevallen besluit te schorsen. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) kan onze minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid. Artikel 7 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva) bepaalt het volgende: 1. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers bepaalt in welk centrum een asielzoeker wordt geplaatst en is bevoegd een asielzoeker naar een ander centrum over te plaatsen. 2. Na overplaatsing van een asielzoeker naar een ander centrum worden de in artikel 5, eerste lid, bedoelde verstrekkingen in dit andere centrum aangeboden. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of de beslissing van het COA om verzoeker en zijn overige familieleden over te plaatsen van de Aanvullende opvang voor asielzoekers (AVO) E naar het Asielzoekerscentrum D een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Hiertoe wordt het volgende overwogen. In de nota van toelichting op de Rva (Staatscourant 1997, nr. 246) wordt in het algemene gedeelte het volgende opgemerkt: „In artikel 7 is onderscheid aangebracht tussen de plaatsing van een asielzoeker in een centrum en de overplaatsing van de asielzoeker van het ene naar het andere centrum. De mededeling (aanzegging) aan de asielzoeker dat hij de opvangvoorzieningen in een ander opvangcentrum krijgt aangeboden, en aldus wordt overgeplaatst wordt niet als een beschikking in de zin van de Awb aangemerkt aangezien de aanzegging slechts tot gevolg heeft dat de opvangvoorzieningen op een ander plaats worden aangeboden. Aan de plaatsing in een centrum vanuit een Aanmeldcentrum ligt wel een beschikking ten grondslag. De toelichting op artikel 7 van de Rva vermeldt onder meer het volgende: „Een plaatsingsbesluit is een beschikking in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld conform de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb. Het beschikkingkarakter van het besluit vloeit mede voort uit het feit dat het besluit beoogt het recht op de verstrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, in te laten gaan, dit ongeacht de plaats (het centrum) waar de verstrekkingen worden aangeboden. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de beslissing tot overplaatsing van verzoeker en zijn overige familieleden niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Immers, verzoeker en zijn gezin worden overgeplaatst van het opvangcentrum in E naar het opvangcentrum in D. De voorzieningenrechter is derhalve (kennelijk) onbevoegd om van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennis te nemen. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:83, derde lid, Awb beslist de voorzieningenrechter mitsdien als volgt. II. BESLISSING De voorzieningenrechter: verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen. Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2003 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. w.g. P. van den Brekel w.g. R.E. Bakker Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: Verzonden op: 20 januari 2003 Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 2 — Regeling ondersteuning ACOA 1996
- Artikel 7 — Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997)
- Artikel 5 — Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997)
- Artikel 12 — Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
- Artikel 1 — Beschikking van den Minister van Economische Zaken, houdende voorschriften betreffende de aanduiding, waarvan voorzien moeten zijn de maten, gewichten, meet- en weegwerktuigen, bedoeld in artikel 6, zevende lid, van de IJkwet 1937