Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2002-09-02
ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8401
Bestuursrecht
Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht eerste afdeling, enkelvoudige kamer Reg. nr. AWB 01/2608 WW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen A, wonende te B, eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 16 oktober 2000 heeft verweerder afwijzend beslist op het door eiser ingediende verzoek om loondoorbetaling op grond van artikel 61 van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 16 juli 2001 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 juli 2001, ingekomen bij de rechtbank op 23 juli 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 16 juli 2002 samen met de zaak nummer AWB 01/2612 WW ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E.A. Breetveld, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.C. Spiering. De Rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2001; draagt verweerder op binnen 8 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 27,23 vergoedt; veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- welk bedrag het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser moet vergoeden. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr M.M. Smorenburg en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr A. Graefe. Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage, Verzonden op: Eiser was sinds 1 maart 1986 bij X B.V. [...] (hierna: X) als architect respectievelijk projectleider werkzaam. Bij aanvraag van 28 december 1999 heeft eiser verweerder verzocht om overname van de betalingsverplichtingen van X, voortvloeiende uit zijn dienstbetrekking bij X, wegens onmacht van X om deze verplichting te voldoen. Eiser heeft daarbij vermeld dat hij zijn volledige loon tot en met 30 september 1999 heeft ontvangen. Na dagvaarding van eiser werd X bij vonnis van de kantonrechter van 20 maart 2000 veroordeeld aan eiser, kort gezegd en onder meer, een bedrag aan achterstallig salaris ad ƒ 74.587,50 bruto te betalen. Medio april 2000 werd door eiser het faillissement van X aangevraagd, dat op 24 mei 2000 uitmondde in het verlenen van voorlopige surséance van betaling. Op 28 augustus 2000 werd door de rechtbank definitieve surséance van betaling verleend tot 24 november 2001. Eiser heeft zijn dienstverband met X per 15 mei 2000 beëindigd omdat hij ander werk had gevonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd de vorderingen van eiser op zijn voormalige werkgever over te nemen op de grond dat X niet geacht wordt in een blijvende toestand van betalingsonmacht te verkeren als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Werkloosheidswet (WW). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat er volgens de beslissing van de rechtbank van 28 augustus 2000 op dat moment inkomsten in de boedel vloeiden en dat enig vooruitzicht zou bestaan op bevrediging van alle crediteuren. Ook later is, zo verweerder stelt, geen reden gebleken om aan te nemen dat de verleende surséance van betaling moet worden ingetrokken en dat een faillissement moet volgen. Eiser voert daartegenover in beroep aan dat gelet op de tekst van artikel 61, eerste lid, van de WW in het geval van definitieve surséance van betaling van rechtswege een recht op uitkering bestaat. Eiser stelt subsidiair dat er wel sprake is van blijvende betalingsonmacht aangezien er tot op heden geen enkele betaling door de bewindvoerder van X heeft plaatsgevonden. In artikel 61, eerste lid, van de WW is, voor zover hier van belang, bepaald dat een werknemer recht heeft: "op uitkering op grond van dit hoofdstuk (hoofdstuk IV van de WW), indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft (...)". Was de dienstbetrekking echter reeds geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand van betalingsonmacht, dan heeft de werknemer volgens artikel 62, aanhef en onder a, van de WW geen recht op uitkering tenzij een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden die tot die toestand hebben geleid. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat X niet in betalingsonmacht te verkeerde. Nu aan X op 28 augustus 2000 (definitieve) surséance van betaling werd verleend en artikel 61, eerste lid, van de WW surséance van betaling als geval vermeldt waarin de werknemer recht heeft op overname van de werkgeversverplichting doet zich allereerst de vraag voor of hier een onderzoek naar de vraag of er daadwerkelijk sprake is van betalingsonmacht door verweerder überhaupt aan de orde is. Waar wellicht uit de tekst van artikel 61, eerste lid, van de WW zou kunnen worden afgeleid dat in de tijd nadat surséance van betaling is verleend, betalingsonmacht van rechtswege aanwezig dient te worden geacht (op gelijke wijze Centrale Raad van Beroep, 31 augustus 1978, gepubliceerd RSV 1978, 352 met betrekking tot artikel 42 a van de oude WW) moet gelet op de wetgeschiedenis naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat de wetgever bij de invoering van deze bepaling in de WW er niet van is uitgegaan dat er ingeval van surséance van betaling rechtens sprake is van betalingsonmacht. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 1985-1986, 19261, nr.3, hierna: MvT nieuw, p. 69) bij de wet van 6 november 1986 (Stb. 566) blijkt dat de wetgever de in hoofdstuk IIIA van de WW (oud) neergelegde regeling in de nieuwe WW heeft willen continueren, met dien verstande dat de tekst zo veel mogelijk is vereenvoudigd en aangepast aan de systematiek van de nieuwe wet. De overwegingen die toentertijd bij de invoering van hoofdstuk IIIA van de oude WW golden, gelden naar de opvatting van de wetgever nog steeds. Uit de wetsgeschiedenis blijkt daarnaast niet dat de wetgever heeft beoogd aard en strekking van hoofdstuk IV van de WW (nieuw) een andere te doen zijn dan die van de in hoofdstuk IIIA van de oude WW opgenomen regeling. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 1967-1968, 9515, nr.3, hierna: MvT oud) bij de wet van 10 juli 1968 (Stb. 375) waarbij de overname van werkgeversverplichtingen in de oude WW werd ingevoerd, blijkt dat de wetgever ingeval van faillissement en surséance van betaling niet heeft bedoeld dat in deze gevallen de betalingsonmacht van de werkgever rechtens vaststaat: "Deze situatie (... betalingsonmacht) zal zich veelal voordoen, wanneer de werkgever in staat van faillissement verkeert en kan zich ook voordoen, indien hem surséance van betaling wordt verleend". Vervolgens wordt erop gewezen dat surséance van betaling ingevolge artikel 232 van de Faillissementswet niet werkt ten aanzien van bevoorrechte vorderingen, zoals loon. De faillietverklaring of de verlening van surséance van betaling werden door de wetgever dan ook gezien als de "formele vaststelling van de betalingsmoeilijkheden van de werkgever" (MvT oud, p. 5). Het uitgangspunt dat een onderzoek met betrekking tot de betalingsonmacht nodig is, ook in het geval surséance van betaling is verleend, vindt ook in de MvT nieuw steun, waarin wordt vermeld dat een onderzoek naar het al dan niet van bestaan van betalingsonmacht door de bedrijfsvereniging dient te worden gevoerd in de situatie dat er (nog) geen faillissement is uitgesproken (MvT nieuw, p. 163). De rechtbank is dan ook van oordeel dat er in de wetgeschiedenis voldoende aanknopingspunten zijn te vinden om vast te stellen dat de wetgever bij de formulering en invoering van artikel 61 van de WW niet heeft bedoeld dat de betalingsonmacht ingeval van surséance van betaling van rechtswege aanwezig zou zijn. De rechtbank komt daarmee aan de vraag toe of verweerder terecht heeft aangenomen dat X financieel niet in een toestand van blijvende betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de WW verkeerde. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat naar de strekking van artikel 61 van de WW eerst een algehele en blijvende betalingsonmacht een beroep op artikel 61 van de WW rechtvaardigt. Verweerders vaste bestuurspraktijk is dan ook om slechts in die gevallen waarin vrijwel zeker is dat de surséance zal uitmonden in een faillissement de loonbetalingsverplichting over te nemen. Verweerder baseert zich daarbij op het gegeven dat surséance van betaling volgens de Faillissementswet slechts kan worden verleend indien, zoals in het geval van X, vooruitzicht bestaat dat de crediteuren zullen kunnen worden bevredigd. De rechtbank kan verweerder niet volgen in de beperkte uitleg die verweerder geeft ten aanzien van de toestand van blijvende betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de WW. Uit de MvT nieuw blijkt dat met de regeling in hoofdstuk IV van de WW materieel hetzelfde wordt beoogd als bij de invoering van hoofdstuk IIIA van de oude wet. Met deze regeling werd beoogd de financiële gevolgen van de betalingsonmacht van de werkgever weg te nemen of te beperken door te waarborgen dat werknemers in dat geval van de bedrijfsvereniging het in het verleden verdiende loon ontvingen.