Rechtspraak 1999-10-13
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA9872
AvW/B rolnummer: 97/4047 datum vonnis: 13 oktober 1999 ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, Sector Civiel Recht - Enkelvoudige Kamer Vonnis in de zaak met rolnummer 97/4047 van: 1. de vennootschap onder firma Gebroeders Vossen, gevestigd te Roggel, gemeente Roggel en Neer, 2. [eiser2], wonende te Heythuysen, 3. [eiser3], wonende te Roggel, gemeente Roggel en Neer, eisers, procureur: mr G.J. Schuurman, tegen: de Staat der Nederlanden, zetelend te 's-Gravenhage, gedaagde, procureur: mr R.J.M. van den Tweel. Partijen worden hierna aangeduid als [eisers 1,2 en 3] en de Staat. Partijen hebben op de volgende stukken vonnis gevraagd: - de inleidende dagvaarding dd. 14 oktober 1997; - de conclusie van eis met producties; - de conclusie van antwoord met productie; - de conclusie van repliek met productie; - de conclusie van dupliek met producties; - een akte uitlaten producties van [eisers 1,2 en 3]; - een antwoordakte van de Staat. RECHTSOVERWEGINGEN: 1. [eisers 1,2 en 3] heeft op 14 november 1991 twee aanvragen ingediend voor een heffingvrije hoeveelheid en/of referentiehoeveelheid melk, een op grond van artikel 5 en een op grond van artikel 6 van de Beschikking superheffing zure boerderijzuivelprodukten (Bzb). Beide aanvragen zijn afgewezen door respectievelijk de Directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie (de directeur) en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (verder: de minister). De door [eisers 1,2 en 3] tegen deze beschikkingen ingediende bezwaarschriften zijn door de minister bij besluiten van 5 oktober 1993 ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten van de minister heeft [eisers 1,2 en 3] beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) bij beroepschriften die door het CBB op 2 november 1993 zijn ontvangen. Bij uitspraak van 11 juni 1997 heeft het CBB de beroepen ongegrond verklaard. 2. De primaire vordering van [eisers 1,2 en 3] strekt er - kort gezegd - toe dat de rechtbank voor recht verklaart dat [eisers 1,2 en 3] over het door hem verkochte product onder de naam [eisers 1,2 en 3]-karnemelk geen heffing verschuldigd is op grond van de Verordening (EEG) 857/84 en de Beschikking superheffing 1988, omdat dit product moet worden aangemerkt als een zuur product als bedoeld in de Bzb. De subsidiaire vordering van [eisers 1,2 en 3] strekt - kort gezegd - tot afgifte door de rechtbank van een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de hiervoor onder 1 genoemde afwijzingen en ongegrondverklaringen van de directeur en de minister en door het voorschrijven en inrichten van de rechtsgang bij het CBB alsmede door de met artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder:EVRM) strijdige, lange duur van vaststelling van eisers rechten en verplichtingen, dit bezien vanaf het tijdstip van aanvragen, althans vanaf het tijdstip van de bezwaarschriften. Aan beide vorderingen heeft [eisers 1,2 en 3] een schadevordering verbonden. 3. Met ingang van 1 januari 1994 zijn vervallen de artikelen 29 tot en met 75 van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (Wet arbo; thans de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie) en is daarvoor in de plaats gekomen het in hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde uniforme procesrecht. Tot de vervallen artikelen behoorde dus ook artikel 74 van de Wet arbo, welke bepaling (tezamen met het eveneens vervallen artikel 75 van die wet) voor het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) aanleiding heeft gevormd voor zijn arrest van 19 april 1994 (Van den Hurk/Staat der Nederlanden). In dit arrest heeft het EHRM geoordeeld dat het CBB geen rechterlijk college was dat voldeed aan de vereisten van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 4. [eisers 1,2 en 3] heeft betoogd dat, gelet op het overgangsrecht zoals neergelegd in hoofdstuk 6 van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Wet vef), het CBB in de ond