Rechtspraak 1999-12-28
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6760
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken -------------------------------- Uitspraak -------------------------------- Awb 99/10372 V3 Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a juncto 34j van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1983 en van Chinese nationaliteit, thans verblijvende in het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling en de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, hierna te noemen: verweerder. Zitting: 27 december 1999. De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal. Als tolk in de Chinese taal was aanwezig G.S. Nie. I. PROCESVERLOOP Op 16 november 1999 heeft de vreemdeling, nadat hij was staandegehouden, de wens kenbaar gemaakt een aanvraag om toelating als vluchteling in te dienen. Bij bevel tot bewaring van is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw in bewaring gesteld. Op 17 november 1999 heeft de vreemdeling een verzoek om toelating als vluchteling ingediend. Op 1 december 1999 heeft de vreemdeling dit verzoek ingetrokken. In verband hiermee is de vreemdeling op 1 december 1999 in bewaring gesteld op de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw bedoelde grond, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast. Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit van 13 december 1999, op diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft zonder beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel tot bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid van de Vw. II. OVERWEGINGEN Namens de vreemdeling is -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de staandehouding en de inbewaringstelling van de vreemdeling onrechtmatig zijn geschied. Immers, de politie had aanwijzingen gekregen over de schuilplaats van vermeende afpersers, waaronder B dan wel B, aan de hand waarvan een onderzoek is ingesteld. Er waren geen aanwijzingen over het verblijf van illegalen in het pand waar de vreemdeling is staandegehouden. Het wekt in de visie van de gemachtigde van de vreemdeling bevreemding dat bij binnenkomst aan de persoon die de deur opende, niet is gevraagd of A dan wel A in het pand verbleef. Er is sprake van détournement de pouvoir, nu er in het pand ongericht is gezocht naar illegaal in Nederland verblijvende personen. De vreemdeling had dan ook niet verzocht mogen worden zich te legitimeren. Voorts is betoogd dat verweerder ten onrechte een aanvang heeft gemaakt met de verwijderingsactiviteiten op het moment dat nog niet op de eerste aanvraag om toelating als vluchteling was beslist. Tenslotte wordt om schadevergoeding verzocht. De gemachtigde van verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewaring niet onrechtmatig is te achten, omdat de vreemdeling zijn aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingetrokken, voordat hij zijn motieven nader heeft toegelicht. Achteraf bezien is de vreemdeling dan ook niet in zijn belangen geschaad doordat hij bij de Chinese autoriteiten is gepresenteerd, voordat op zijn aanvraag om toelating als vluchteling was beslist. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van staandehouding van 17 november 1999 hebben verbalisanten op 16 november 1999, omstreeks 9.30 uur, naar aanleiding van concrete aanwijzingen omtrent illegaal verblijf, op het adres [...]straat 34 te C een vijftiental personen, waaronder de vreemdeling staandegehouden. Deze concrete aanwijzingen zijn blijkens het zich bij de gedingstukken bevindende rapport van de brigadier G.J. Los Naar het oordeel van de rechtbank is het verweerder -behoudens uitzonderingssituaties die zich in casu niet voordoen- niet toegestaan uitzettingshandelingen ten behoeve van een vreemdeling te verrichten, terwijl deze vreemdeling een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend waarop nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen. Immers, de vreemdeling wordt op die manier geconfronteerd met de autoriteiten van zijn land van herkomst, terwijl hij stelt vrees voor vervolging van die zijde te ondervinden. Eerst indien in eerste aanleg een beslissing op de aanvraag om toelating is genomen, kan verweerder derhalve een aanvang nemen met de verwijderingsactiviteiten van de vreemdeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf 26 november 1999 onrechtmatig is te achten. Op deze datum zijn de Chinese autoriteiten immers op de hoogte gesteld van het feit dat de vreemdeling in Nederland in vreemdelingenbewaring verblijft en een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de onrechtmatigheid op een later tijdstip -te weten na de intrekking van het verzoek om toelating als vluchteling- weer is opgeheven. Immers, de onrechtmatigheid van de bewaring die zich vanaf 26 november 1999 voordeed, dient reeds tot opheffing te leiden. Daarbij hecht de rechtbank er belang aan dat verweerder in een drietal andere zaken waarbij een drietal landgenoten van de vreemdeling, die op dezelfde datum als de vreemdeling asiel hebben aangevraagd en zijn gepresenteerd (geregistreerd onder de nummers AWB 99/10378, 99/10385 en 99/10386 VRWET) op 23 december 1999 is overgegaan tot opheffing van de bewaring omdat met uitzettingshandelingen een aanvang was gemaakt, terwijl nog niet op de eerste aanvraag om toelating was beslist. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder in de onderhavige zaak de bewaring niet heeft opgeheven. De vreemdeling is, door het voortduren van de bewaring, dan ook in zijn belangen geschaad. Het beroep is derhalve gegrond en de rechtbank zal opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring gelasten, met ingang van 28 december 1999. Aangaande het verzoek om toekenning van schadevergoeding, overweegt de rechtbank dat de bewaring -gelet op het vorenoverwogene- vanaf 26 november 1999 onrechtmatig is geweest. De vreemdeling komt dan ook vanaf deze datum voor toekenning van schadevergoeding in aanmerking. Mede gelet op de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, kent de rechtbank derhalve aan de vreemdeling een schadevergoeding toe van f 150,-- voor iedere dag dat hij in het Huis van Bewaring heeft doorgebracht vanaf 26 november 1999. In totaal bedraagt de toe te kennen schadevergoeding 32 x f 150,--, zijnde in totaal f 4.800,--. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 710,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: * 1 punt voor het verschijnen ter zitting; * waarde per punt f 710,--; * wegingsfactor 1. Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De rechtbank, verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond; beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 26 van de Vw van de vreemdeling met ingang van 28 december 1999; wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van f 4.800,--