Rechtspraak 1999-11-16
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6714
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht Tweede kamer, meervoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr: AWB 99/05956 MAWKLA Inzake A, wonende te B, eiseres, tegen de Commandant Brigade Koninklijke Marechaussee te C, verweerder 1. Aanduiding bestreden besluit. Het besluit van verweerder van 31 mei 1999, kenmerk JURA/99/19671. 2. Zitting. Datum: 28 oktober 1999. Voor eiseres is verschenen haar gemachtigde, mr. P. Reitsma. Tevens is verschenen de echtgenoot van eiseres. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. A.P.J. Heesen. 3. Feiten. Eiseres, wachtmeester der eerste klasse bij de Koninklijke Marechaussee, is sedert 1993 geplaatst bij de Kmar brigade C. Eiseres werkte in deeltijd en tevens volgens rooster in onregelmatige dienst. Bij brief van 30 april 1998 heeft verweerder het volgende aan eiseres medegedeeld: Op woensdag 29 april 1998, te 15.30 uur, heeft U zich tijdens de voor U voorgeschreven avonddienst onder vermelding van onmiddellijk ziek naar huis te gaan, de brigade Koninklijke marechaussee te C verlaten. Op woensdag 19 april 1998, omstreeks 20.30 uur heeft U het dienstdoende personeel van de Brigade C laten weten, woensdagavond 29 april 1998, gedurende de rest van Uw dienst t/m 23.00 uur ziek thuis te zijn en met ingang van vrijdag 1 mei 1998 Uw diensten wederom te hervatten. Ik deel U hierbij het volgende mede: 1. Uw diensten tot en met 5 mei 1998 zijn door mij opgeschort. 2. Ik ontzeg U voorlopig tot en met 5 mei 1998 de toegang tot de brigade Koninklijke marechaussee te C. 3. Ik geef U hierbij de dienstopdracht, U zich op woensdag 6 mei 1998 ten spoedigste na 09.00 uur, te melden bij Commandant District Koninklijke Marechaussee te D. Middel van vervoer bij deze reisopdracht is Openbaar vervoer." Namens eiseres is tegen de inhoud van deze brief op 9 juni 1998 een bezwaarschrift ingediend. De gronden daarvan zijn aangevoerd in een vervolgschrijven van 28 juli 1998. Op 5 maart 1999 heeft het adviesorgaan Bestuursrechtelijke Geschillen Koninklijke Landmacht (ABGKL) advies uitgebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de in de brief van 30 april 1998 getroffen maatregelen geen besluit inhouden als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat deze maatregelen, gelet op de aard en de beperkte duur daarvan, slechts de interne orde van de dienst betreffen. Bij beroepschrift van 29 juni 1999, aangevuld op 23 juli 1999 heeft eiseres bij de rechtbank tegen het bestreden besluit beroep doen instellen. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift, bij de rechtbank ingekomen op 21 oktober 1999. 4. Bewijsmiddelen. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting. 5. Motivering. Bij de beoordeling van het bestreden besluit staat centraal de vraag of hetgeen in de punten 1. en 2. van verweerders brief van 30 april 1998 aan eiseres is gesteld kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 3:1 jo 8:1, tweede lid, Awb. Eiseres heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 oktober 1997 (TAR 1998, 5), op het standpunt gesteld dat het hier gaat om een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, aangezien verweerder direct heeft ingegrepen in de rechtspositie van eiseres door haar de mogelijkheid te onthouden de werkzaamheden, waarvoor zij is aangewezen, te verrichten. Bovendien is voor de maatregel om eiseres de toegang tot de brigade te ontzeggen in het AMAR geen formele grondslag te vinden. Waar dat voor zulk een maatregel in andere rechtspositieregelen wel het geval is, lijdt het, aldus eiseres, geen twijfel dat die maatregel wel op extern rechtsgevolg is gericht en voor beroep vatbaar. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat hier sprake is van een handeling van een bestuursorgaan waarbij zij als ambten