Rechtspraak 1999-12-08
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6470
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 99/2001 VRWET inzake: A, wonende te B, eiser, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Eiser, geboren op [...] 1962, bezit de Liberiaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 17 januari 1990 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 2 januari 1996 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlenging van de aan hem verleende vergunning tot verblijf met als doel: "arbeid in loondienst na verbreking huwelijk". Bij besluit van 9 september 1996 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser. Eiser heeft tegen dit besluit op 28 november 1996 bezwaar gemaakt. 2. Bij beroepschrift van 7 april 1997 heeft eiser tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij besluit van 22 april 1997 heeft verweerder het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van eiser gezonden. Bij beroepschrift van 10 mei 1997, aangevuld bij brief van 8 augustus 1997, heeft eiser - onder handhaving van het eerdergenoemde beroepschrift - tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 1998. Bij uitspraak van 23 april 1998 heeft de (president van de) rechtbank het beroep - voorzover gericht tegen de weigering aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) te verlenen - gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en verzoek om een voorlopige voorziening van 16 april 1997 toegewezen. 4. Bij besluit van 22 februari 1999 heeft verweerder het bezwaar (opnieuw) ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 24 februari 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 21 mei 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 20 augustus 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. 5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 1999. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C. Peeck, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te 's-Gravenhage. II. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. 2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van dezelfde feiten als de rechtbank in haar uitspraak van 23 april 1998 (AWB 97/3736 VRWET), waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen de weigering eiser een vvtv te verlenen - gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. 3.1. Eiser meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert hij aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of eiser voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid in aanmerking komt. Eiser heeft op 2 januari 1996 verzocht om verlenging van de aan hem verleende vergunning tot verblijf. Eerst op 22 februari 1999 is ten gronde beslist op zijn aanvraag. Eiser heeft derhalve ruim drie jaar in onzekerheid verkeerd. Hoewel langdurig verblijf op zichzelf geen aanspraken doet ontstaan, dient verweerder hiermee wel rekening te houden. Eiser is op 18 januari 1990 Nederland ingereisd. Hij verbleef op het moment van het bestreden besluit derhalve negen jaar in Nederland. Hij is in deze periode nimmer illegaal geweest. De stelling van verweerder dat de vvtv het sluitstuk is van het asielbeleid is onjuist. Tijdens de parlementaire behandeling van (toen nog) artikel 12a, tweede lid, Vw (thans artikel 12b Vw) Gelet hierop komt eiser niet in aanmerking voor een vvtv. 4.2. Verweerder heeft hieraan in het verweerschrift nog het volgende toegevoegd. Verweerder is inmiddels bekend met de uitspraak van de Rechtseenheidskamer voor vreemdelingenzaken (REK) van 8 juli 1999, AWB 99/2276. Verweerder merkt niettemin op dat eiser op goede gronden een vvtv is onthouden. Verweerder heeft een zogenaamd vvtv-beleid gevoerd van 27 september 1996 tot 27 maart 1998. Bij brief van 27 maart 1998 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft verweerder aangegeven dat het kabinet van oordeel is dat het vvtv-beleid voor Liberiaanse asielzoekers kan worden beëindigd. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 maart 1998 blijkt immers dat de situatie in Liberia sinds het ambtsbericht van september 1996 is verbeterd. Om deze reden kwam eiser ten tijde van het bestreden besluit niet (meer) in aanmerking voor verlening van een vvtv. Gezien de discretionaire bevoegdheid inzake het vvtv-beleid is verweerder vrij in zijn keuze het gevoerde beleid met betrekking tot vreemdelingen uit Liberia te wijzigen. Voor zover het er voor dient te worden gehouden dat eiser in de periode van 27 september 1996 tot 27 maart 1998 in het bezit had moeten worden gesteld van een vvtv merkt verweerder op dat dit aan een en ander niets afdoet. Eiser zou in dat geval immers korter dan drie achtereenvolgende jaren in Nederland zijn verblijf hebben gehad op grond van een vvtv, zodat deze vergunning niet met toepassing van artikel 13a Vw zou zijn omgezet in een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9 Vw. Eiser komt voorts niet in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. Door verweerder is bij besluit van 22 april 1997 in bezwaar beslist op eisers aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf. Ten tijde van dat besluit was er geen sprake van drie jaren relevant tijdsverloop. Het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar ten aanzien van de niet-inwilliging van de aanvraag om verlenging van de vergunning tot verblijf is bij uitspraak van 23 april 1998 ongegrond verklaard. Eiser heeft derhalve een onherroepelijke beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag. De beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor een vvtv geschiedt in het licht van het uitzettingsbeleid van verweerder. Bekeken wordt of de uitzetting van vreemdelingen ten aanzien van wie is bepaald dat zij niet in aanmerking komen voor toelating, naar een bepaald land of gebied van onevenredige hardheid is. Het betreft hier een categoriale toetsing. Het gevolg van de verlening van een vvtv is weliswaar toelating. Die toelating is echter voorwaardelijk en afhankelijk van de ontwikkelingen in het land van herkomst. Het verlenen van een vvtv biedt een vreemdeling dan ook geen onzekerheid omtrent zijn (permanente) verblijf hier te lande. Bovendien ziet het verblijf op grond van een vvtv op een ander doel, namelijk het voorkomen dat de uitzetting van de vreemdeling van bijzondere hardheid zou zijn. Het verlenen van een vvtv ziet dan ook niet op het oorspronkelijke beoogde verblijfsdoel. De rechtbank overweegt het volgende. 5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. 6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc). 7. In hoofdstuk A4/6.17 van de Vc 1994 (thans A4/6.22 van de Vc 1994) is aangegeven dat een vreemdeling die langdurig in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn toelatingsproced