Rechtspraak 1999-03-18
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5493
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken -------------------------------- Uitspraak -------------------------------- AWB 97/10207 VRWET Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto de artikelen 33a en 33d van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen A, geboren [...] 1981 en verblijvende te Turkije, eiseres, gemachtigde mr. Z.M.K.J. Berger, advocaat te Venlo, en de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder. I. PROCESVERLOOP Eiseres bezit de Turkse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van artikel 1 van de Vw. Op 20 augustus 1996 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) onder de beperking: "verblijf bij echtgenoot" gedaan. Op 2 juni 1997 is namens eiseres bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag. Op 30 september 1997 is de echtgenoot van eiseres omtrent de bezwaren van eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit van 13 oktober 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens eiseres op 24 oktober 1997 bij de rechtbank beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 27 oktober 1997 ter griffie ontvangen. Bij schrijven van 11 november 1997 is namens eiseres bij de rechtbank om een versnelde behandeling van het beroep verzocht. Bij brief van 28 november 1997 heeft de rechtbank het verzoek om versnelde behandeling afgewezen. Bij schrijven van 16 december 1998 is namens eiseres nogmaals verzocht om een versnelde behandeling van het beroep. Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 1999 alwaar eiseres niet is verschenen, doch is vertegenwoordigd door haar echtgenoot en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. T.A.G.H. van Loenhout-Hasselo, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie. II. OVERWEGINGEN Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 13 oktober 1997, waarbij het bezwaar tegen de weigering om eiseres een mvv te verlenen ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden. Vaststaat dat eiseres op 30 juli 1996 in Turkije is getrouwd met B, die de Nederlandse nationaliteit heeft. De mvv is aangevraagd met het oog op het verblijf van eiseres bij haar echtgenoot in het kader van het gezinsvormingsbeleid van verweerder. Ingevolge artikel 41, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit moeten vreemdelingen, die zich naar Nederland begeven voor een verblijf aldaar van langer dan drie maanden, voor toegang tot Nederland in het bezit zijn van een geldig paspoort dat is voorzien van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Ingevolge artikel 33d van de Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Soeverein Besluit van 12 december 1813, voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vw. In de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna: Vc) is onder A4/5.1 bepaald dat de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een vergunning tot verblijf (hierna: vtv). Ingevolge artikel 11, vijfde lid van de Vw kan een vtv aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts voor een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of er sprake is v