Rechtspraak 1999-07-08
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4555
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht Tweede kamer, enkelvoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr.: AWB 98/4512 AW Inzake: A., wonende te B., eiser, tegen: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder. 1. Bestreden besluit: Het besluit van verweerder van 27 mei 1998, kenmerk 1012462/64 Bureau 1. 2. Zitting: Datum: 11 maart 1999. Verschenen: eiser in persoon, bijgestaan door mr A.B.B. Beelaard, advocaat te Den Haag. 3. Feiten: Eiser is met ingang van 1 november 1991 ontslagen als ambtenaar in vaste dient bij het Staatsbedrijf PTT. Bij besluit van 5 november 1991 is aan eiser een wachtgeld over de periode van 1 januari 1989 tot 1 oktober 1998 toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) juncto artikel 4 van de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering. Bij besluit van 10 april 1997 is aan eiser medegedeeld dat bij de berekening van het wachtgeld over de maanden november 1991 tot en met december 1996 met een onjuist bedrag aan neveninkomsten rekening is gehouden. Verweerder heeft bij dit besluit het bedrag dat eiser teveel aan uitkering inclusief sanctie heeft ontvangen gesteld op f. 78.957,49 (bruto) en heeft besloten dit bedrag van eiser terug te vorderen. Bij besluit van 20 februari 1998 heeft verweerder het terugvorderingsbedrag verhoogd met een bedrag van f. 876,50 wegens reeds aan de ontvanger der directe belastingen afgedragen loonheffing over het jaar 1997 en het terugvorderingsbedrag totaal gesteld op f. 79.833,99. Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt bij verweerder bij brieven van 16 mei 1997, 3 juli 1997 en 4 maart 1998. Bij besluit van 27 mei 1998 heeft verweerder eisers bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 10 april 1997 ingetrokken. Voorts heeft verweerder besloten: - het bedrag van het teveel genoten wachtgeld opnieuw vast te stellen over de periode april 1992 tot en met december 1996; - bij het bepalen van de hoogte van het teveel genoten wachtgeld rekening te houden met de inkomsten welke reeds voor ontslag zouden zijn genoten bij [Z] & Zn. B.V.; - wegens het niet verstrekken van alle gegevens met betrekking tot het inkomen het wachtgeld ten dele vervallen te verklaren door het opleggen van een sanctie van 30% van het benadelingsbedrag. Namens eiser is tegen dit besluit bij brief van 10 juni 1998 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 22 juli 1998 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 1 december 1998 heeft verweerder eiser nader geïnformeerd over de berekening van het terug te vorderen bedrag alsmede de berekening van de sanctie. Verweerder heeft deze bedragen bepaald op respectievelijk f. 49.790,25 en f. 14.937,07. De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 11 maart 1999. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank het onderzoek heropend ten einde verweerder om inlichtingen te verzoeken. Bij brief van 21 april 1999 heeft verweerder de gevraagde inlichtingen verstrekt. Partijen hebben toestemming gegeven de (tweede) behandeling ter zitting achterwege te laten. 4. Gronden: De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven. De rechtbank merkt allereerst op dat het haar heeft bevreemd dat verweerder eerst bij zijn besluit van 1 december 1998 tot een nadere berekening is gekomen van het uiteindelijk door eiser te betalen terugvorderings- en sanctiebedrag. De rechtbank is van oordeel dat deze nadere berekening in casu reeds bij het bestreden besluit tot gegrondverklaring van eisers bezwaarschrift en intrekking van het besluit van 10 april 1997, had dienen te worden gegeven. Immers, op grond van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het in bezwaar bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. Aan het vorenstaande zal de rechtbank eve Bij gebreke van deze gegevens en nu ook niet wordt bestreden dat eiser in de door verweerder in aanmerking genomen periode inkomsten heeft genoten uit arbeid verricht voor [begrafenisonderneming], moet worden geoordeeld dat verweerder terecht deze inkomsten volledig heeft meegenomen bij de berekening van het terugvorderingsbedrag. Ten aanzien van de vraag of verweerder het terugvorderingsbedrag juist heeft berekend De verrekening geschiedt blijkens artikel 8, eerste lid, tweede volzin, van het Rwb, aldus dat het wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmede het wachtgeld, vermeerderd met de inkomsten als bedoeld in de eerste volzin van dit artikellid de bezoldiging overschrijdt. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder bij de berekening geen rekening heeft gehouden met de vrije ruimte om bij te verdienen en dan ook een verkeerde berekeningsmethode heeft gehanteerd. Voorts is aangevoerd dat er meer wordt teruggevorderd dan eiser in totaal heeft bijverdiend. Verweerder heeft uiteengezet dat bij de berekening in aanmerking is genomen het inkomen dat eiser heeft ontvangen voor de door hem verrichte werkzaamheden inclusief de vakantietoeslag. Voorts heeft verweerder in aanmerking genomen de uitkering die eiser krachtens de Werkloosheidswet in de bedoelde periode ontving. Verweerder meent dat eiser ten onrechte de vakantietoeslag alsmede de WW-uitkering niet heeft meegenomen in zijn berekening. Voorts heeft verweerder er op gewezen dat de bedragen belastbaar worden teruggevorderd aangezien de loonheffing reeds aan de Ontvanger der Directe Belastingen is afgedragen en restitutie daarvan uitsluitend plaatsvindt aan de belastingplichtige. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt en wijst daarbij onder meer op het inkomensbegrip als is neergelegd in artikel 8 van het Rwb. Blijkens dit artikel moet tevens inkomen in verband met arbeid, waaronder een WW-uitkering dient te worden gerekend, bij de berekening in acht worden genomen. Voorts valt eveneens de vakantietoeslag onder het inkomensbegrip. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder het terugvorderingsbedrag te hoog heeft bepaald. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit voor zover het betreft de vermindering van het wachtgeld in verband met de door eiser genoten inkomsten en de terugvordering van dit bedrag, ongegrond moet worden verklaard. Ten aanzien van de vraag of verweerder zijn bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie kan ontlenen aan artikel 13, derde lid, sub b, van het Rwb In artikel 13, derde lid, aanhef en sub b, van het Rwb is bepaald dat het recht op wachtgeld geheel of ten dele vervallen kan worden verklaard indien de belanghebbende de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van het wachtgeld niet, niet volledig, of onjuist verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat voormelde bepaling verweerder de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie geeft. Nu gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat eiser niet, niet volledig dan wel onjuiste gegevens heeft verstrekt en deze gegevens wel noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het bedrag aan wachtgeld, moet worden geoordeeld dat verweerder in casu bevoegd is een sanctie op te leggen. Ten aanzien van de vraag of de oplegging van de sanctie van 30% van het benadelingsbedrag in rechte stand kan houden Eiser heeft ten aanzien van de sanctie-oplegging onder meer aangevoerd dat het beleid met betrekking tot sanctie-oplegging dient te zijn vastgelegd zodat dit door de rechter kan worden getoetst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Eiser meent dat een vastgelegd beleid ontbreekt. Voorts is namens eiser gesteld dat de hoogte van de sanctie in het geval van eiser onevenredig zwaar uitpakt. Verweerder heeft met betrekking tot dit onderdeel in het bestreden besluit gesteld dat volgens bestendig gebruik in gevallen waarin een betrokkene zijn neveninkomsten niet opgeeft een sanctie wo