Rechtspraak 1999-01-22
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4446
Arrondissementsrechtbank ’s-Gravenhage Sector Bestuursrecht Eerste kamer, meervoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr.: AWB 98/155 ABW Inzake het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, eiser, tegen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit. Het besluit van verweerder van 3 december 1997, kenmerk WBJA/SBB/97/0214/6. 2. Zitting. Datum: 11 januari 1999. Namens eiser is verschenen drs J.P. Laurier, wethouder Werk, Sociale Zaken, Stedelijk beheer en Wijkbeheer van de gemeente Leiden en mr. E. van der Schans, advocaat. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr H.P.M. Schenkels en P.W.G. van Bethlehem. 3. Feiten. Bij besluit van 22 augustus 1997 heeft verweerder de aan eiser te betalen rijksvergoeding voor het dienstjaar 1995 vastgesteld ter zake van de uitvoering van zes door verweerder uitgevoerde regelingen, waaronder de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW). Daarbij heeft verweerder, met toepassing van artikel 47a ABW, besloten dat de door de gemeente Leiden gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandsverlening niet aanvaardbaar waren tot een bedrag van f 38.300. De op grond van artikel 47b ABW aan de gemeente te betalen vergoeding werd als gevolg daarvan geweigerd tot genoemd bedrag. Bij brief van 23 september 1997 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 augustus 1997, voor zover het betrekking heeft op de weigering om genoemd bedrag van f 38.300 voor vergoeding in aanmerking te brengen. Op 18 november 1997 is het bezwaarschrift namens eiser toegelicht op een door verweerder georganiseerde hoorzitting. Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 9 januari 1998 beroep ingesteld, welk beroepschrift is gemotiveerd bij brief van 25 februari 1998. Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 27 april 1998, ingediend. 4. Bewijsmiddelen. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting. 5. Motivering. Het onderhavige geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW zoals deze luidde tot 1 januari 1996. Artikel 47a ABW luidt als volgt: 1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan besluiten dat bepaalde door een gemeente gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandsverlening niet aanvaardbaar zijn. Het besluit wordt genomen binnen zes maanden nadat de definitieve kostenopgaven door de gemeente over het desbetreffende dienstjaar zijn ingekomen. 2. In de kosten ten aanzien waarvan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een besluit heeft genomen als bedoeld in het eerste lid wordt geen vergoeding op grond van de artikelen 47b, 48 of 49 verleend. Artikel 47b, eerste lid, ABW bepaalt het volgende: Het Rijk vergoedt negentig procent van de kosten van bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en van de kosten van bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met toepassing van artikel 47a ABW, een bedrag van f 38.300 aangemerkt als kosten van bijstand die uit een oogpunt van bijstandsverlening niet aanvaardbaar zijn. Ingevolge het tweede lid van artikel 47a ABW heeft dat ertoe geleid dat deze kosten op grond van artikel 47b ABW niet voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de rechtmatigheid van de door de gemeente verstrekte bijstandsuitkeringen niet is verzekerd, omdat eiser feitelijk onderbouwde tips die hij van derden ontvangt, niet betrekt bij het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen, indien deze tips anoniem zijn. Naar het oordeel van verweerder dient eiser van dergelijke tips wel kennis te nemen en, voor zover daar vervolgens aanleiding toe bestaat, nader onderzoek te verrichten en eventueel actie te ondernemen. De praktijk geeft aan dat bedoelde anonieme tips bruikbaar zijn, aldus het bestreden besluit. Omdat de weiger De beleidstoetsing heeft (blijkens blz.10 van de Nota) betrekking op tendenties van het uitvoeringsbeleid, waaronder wordt verstaan een uit gemeentelijke richtlijnen of uit het uitvoeringsbeleid blijkende consistente beleidslijn. Uitgangspunt bij die toetsing is volgens de Nota dat, ofschoon na afloop van een overlegprocedure besloten kan worden tot het niet aanvaardbaar verklaren van kosten, rijk en gemeenten elkaar - vanuit hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor een goede beleidsuitvoering - in het kader van het beleidsoverleg weten te vinden. De beleidstoetsing moet worden gezien als een zaak van overleg en beleidsevaluatie. Zij richt zich - voor zover hier van belang - op: doeltreffendheid van de inrichting van de uitvoering ten behoeve van een effectief beleid ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening (waaronder begrepen het sanctiebeleid); onderzoek naar de omstandigheden van de uitkeringsontvanger, waaronder begrepen de verificatie van de verkregen gegevens (blz. 10, 15 en 16 van de Nota). De Nota maatregelenbeleid gaat in deel 2, paragraaf 3.4.3 specifiek in op de maatregel van artikel 47a ABW. Dit toezichtsinstrument is met name bedoeld om bepaalde utgaven niet aanvaardbaar te verklaren, indien een van de wettelijke doelstellingen of wettelijke voorschriften afwijkend gemeentelijk beleid daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt voor het toezicht is, dat de kosten van bijstand der gemeenten aanvaardbaar wordt geacht, tenzij het tegendeel blijkt, aldus de Nota. De tweede circulaire waar verweerder zich op beroept is eerder vermelde circulaire van 4 juli 1995. Daarin heeft verweerder aan de gemeenten uitgangspunten bekend gemaakt van te voeren beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van (onder meer) de ABW (aangeduid als M&O-beleid). In de circulaire is aangegeven waaraan een gemeentelijk M&O-beleid dient te voldoen. Als een van de specifieke aspecten van het M&O-beleid komt in de circulaire het gebruik van tips van derden aan de orde. In paragraaf 3.4 wordt vermeld: "Het gebruik van tips is een goed middel om fraude op te sporen. Daarbij ga ik uit van feitelijk onderbouwde tips. Feitelijk onderbouwd betekent in deze context dat in de tip zaken aangevoerd worden die de gemeente voldoende mogelijkheden geeft om te kunnen gebruiken in een nader onderzoek. Het onderscheid tussen het gebruik van al dan niet anonieme tips is niet relevant." Naar het oordeel van de rechtbank stond het verweerder vrij - en was het uit een oogpunt van rechtszekerheid geboden - om nader aan te geven in welk soort situaties naar zijn mening artikel 47a ABW toepassing zou kunnen vinden. In de Nota maatregelenbeleid is zulks geschied in algemene termen. De rechtbank ziet geen reden aan te nemen dat verweerder daarbij de grenzen die artikel 47a beoogt te stellen te buiten is gegaan. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat verweerder als verantwoordelijke voor het toezicht op de uitvoering van de ABW en als financier van het overgrote deel van de bijstandsgelden in zijn beleidstoetsing als bedoeld in de Nota mede de gemeentelijke inrichting van de uitvoering van de ABW betrekt op het punt van het door de gemeente te verrichten onderzoek, in het bijzonder ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Wat bedoelde toetsing betekent voor de van de gemeenten verlangde benadering van anonieme tips, valt aan de hand van de Nota maatregelenbeleid niet vast te stellen. Duidelijkheid op dat punt wordt door verweerder gegeven in de circulaire uit 1995, waaruit valt op te maken dat feitelijk onderbouwde tips aanleiding dienen te geven tot onderzoek, waarbij niet van belang wordt geacht of deze anoniem zijn of niet. Ook met de in de circulaire uit 1995 gegeven uitwerking is verweerder, zo overweegt de rechtbank, niet getreden buiten de grenzen van artikel 47a ABW. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij de stelling van verweerder, erop neerkomende dat in de regel meer De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder zijn bevoegdheid tot het niet aanvaardbaar verklaren van gemaakte kosten niet ontleent aan bedoelde circulaire, maar aan artikel 47a ABW. De circulaire beoogt slechts gemeenten informatie te geven over - voor zover hier relevant - het belang dat verweerder, in het kader van de toepassing van deze bepaling, hecht aan de behandeling van anonieme tips en komt dus de rechtszekerheid ten goede. In samenhang met de Nota maatregelenbeleid uit 1992 en met eerdergenoemde brief van 28 juni 1995 mocht op grond van de circulaire uit 1995 worden verwacht dat verweerder in het kader van het maatregelenbeleid consequenties zou verbinden aan een absolute weigering om anonieme tips te behandelen. Eiser heeft tevens aangevoerd dat hij een succesvol fraudebeleid voert en hierbij bovengemiddeld scoort. Verweerder heeft dit erkend. Deze omstandigheid staat er, ook naar het oordeel van de rechtbank, echter niet aan in de weg dat verweerder op straffe van toepassing van artikel 47a ABW verlangt, dat ook bruikbare anonieme signalen betreffende misbruik van de AWB bij controle op de naleving van de wet worden benut. Dat eiser al goede resultaten boekt bij de fraudebestrijding verhindert verweerder niet om een nog beter resultaat van hem te mogen vragen, indien daartoe concreet de mogelijkheid bestaat. Dat het in behandeling nemen van feitelijk onderbouwde anonieme tips onvermijdelijk zou leiden tot minder resultaat op andere terreinen van fraudebestrijding is een stelling die - voor zover eiser deze betrekt - niet voldoende is onderbouwd noch anderszins aannemelijk is. Eiser heeft gesteld dat de Wet persoonsregistraties (WPR) eraan in de weg staat anonieme tips in behandeling te nemen. Hij heeft daartoe gesteld dat het hem ten aanzien van uit anonieme tips verkregen gegevens niet mogelijk zou zijn te voldoen aan artikel 29 WPR, dat voorschrijft inlichtingen over de herkomst van opgenomen gegevens te verstrekken. Het aldus door eiser naar voren gebrachte heeft de rechtbank evenmin kunnen overtuigen van de onjuistheid van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder niet meer van eiser verlangt dan dat hij tot een onderzoek overgaat van feitelijk onderbouwde tips. De rechtbank ziet niet in dat eiser gehouden zou zijn op grond van de WPR of het Privacyreglement Uitkeringsadministraties in de desbetreffende persoonsregistraties meer te vermelden dan gegevens, die het resultaat zijn van dat eigen onderzoek. Inlichtingen over de herkomst van die gegevens kan eiser verschaffen met verwijzing naar bedoeld onderzoek. Niet valt in te zien dat eiser gehouden zou zijn daarbij tevens te vermelden wat de aanleiding vormde voor het onderzoek. Eiser heeft voorts gesteld dat het gebruik van anonieme tips zich niet verhoudt tot het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna:EVRM) en artikel 10 van de Grondwet. Hij heeft daartoe gesteld dat niet is voldaan aan de door die bepalingen gestelde eis dat inmenging door het openbaar gezag in de persoonlijke levenssfeer slechts is toegestaan voor zover dit bij de wet is voorzien. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de vraag of de in een anonieme tip vermelde gegevens bij gebruik ervan een schending van de genoemde bepalingen opleveren, pas kan worden beantwoord als de tip is beoordeeld en eventueel nader onderzocht. Door het voeren van een beleid waarbij iedere anonieme tip geheel wordt genegeerd heeft eiser zich de mogelijkheid tot een zodanige beoordeling en onderzoek bij voorbaat ontnomen. Verweerder verlangt van eiser bovendien slechts dat hij zijn eigen onderzoeksbevoegdheden aanwendt, indien sprake is van een feitelijk onderbouwde tip. Van hem wordt niet verlangd dat hij zijn wettelijke bevoegdheden te buiten gaat. Evenmin wordt verlangd dat hij het indienen van tips, ongeacht de wijze waar