Rechtspraak 1999-10-12
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4127
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht Eerste kamer, enkelvoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr.: AWB 98/3644, AWB 98/3749 en AWB 98/3753 Inzake Stichting Arent van 's-Gravenzande gevestigd te Leiden (hierna: eiser sub 1) en J. Kloeg, wonende te Leiden (hierna: eiser sub 2). tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit. De besluiten van verweerder van 26 maart 1998, kenmerk 95.0480 S (herzien), en 95.0480 M (herzien). 2. Zitting. Datum: 15 september 1999. De Stichting Arent van 's-Gravenzande was daar vertegenwoordigd door haar voorzitter, drs. W. Kuyper; J. Kloeg was in persoon aanwezig. Verweerder was vertegenwoordigd door mr. Tj. van Rij, loco-burgemeester en wethouder van Ruimtelijke ordening, Wonen en Verkeer en mr. J.W.M. Vellekoop, chef van de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Leiden. 3. Feiten. Bij besluit van 20 december 1995 heeft verweerder positief beslist op een verzoek van de Dienst Bouwen en Wonen, sector Wonen, van de gemeente Leiden om, onder voorwaarden als vermeld in het besluit, ten behoeve van de herinrichting van het Vrouwenkerkhof te Leiden een monumentenvergunning te verlenen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 alsmede een sloopvergunning als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Bouwverordening van de gemeente Leiden voor de verwijdering van de muurresten van de voormalige Vrouwenkerk, een en ander conform de aan het verzoek gehechte tekeningen. Aan dit besluit was een uitgebreide inspraakprocedure vooraf gegaan waarin veel bedenkingen, onder andere door eisers sub 1 en 2, tegen de plannen tot herinrichting van het Vrouwenkerkhof waren ingebracht. Verweerders hebben hun besluit mede gebaseerd op een door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg op 29 september 1995 uitgebracht advies. Eisers sub 1 en 2 (en anderen) hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben hun bezwaren tijdens hoorzittingen van de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften op 8 maart 1996 en 26 april 1996 nader toegelicht. De Commissie heeft in haar uitvoerig gemotiveerde advies van 22 juli 1996 verweerder geadviseerd de bezwaren van eisers "ongegrond te verklaren en de bestreden beslissingen te handhaven, met dien verstande, dat deze met inachtneming van het advies van de Commissie ware te herzien in twee beslissingen en de voorwaarden bij de monumentenvergunning te herformuleren." In de bestreden besluiten heeft verweerder conform het advies van de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften beslist en onder ongegrondverklaring van de bezwaren de gevraagde monumentenvergunning en sloopvergunning verleend een en ander overeenkomstig de aan de voorstellen van de Commissie aangepaste tekeningen en voorwaarden. In het besluit tot verlening van de monumentenvergunning is verweerder uitvoerig op de naar voren gebrachte bezwaren ingegaan. Eiser sub 1 heeft beroep ingesteld tegen het besluit onder nummer 95.0480 M (herzien) waarbij de monumentenvergunning is verleend; eiser sub 2 heeft afzonderlijke beroepen ingesteld tegen dit besluit waarbij de monumentenvergunning is verleend en tegen het besluit onder nummer 95.0480 S (herzien) waarbij de sloopvergunning is verleend. Tijdens de gevoegde behandeling van de beroepen ter zitting op 6 april 1999 heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en het vooronderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen ter beantwoording van bij de rechtbank gerezen vragen nadere informatie in te winnen bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en daarnaast antwoord te geven op vragen van de rechtbank over de relatie van de onderhavige besluiten met eerdere besluiten inzake de muurresten van de voormalige Vrouwenkerk. Bij brief van 17 mei 1999 heeft verweerder de gevraagde informatie verstrekt. Op 25 mei 1999 heeft de rechtbank een brief ontvangen van het Leiden American Pilgrim Museum, die voor de rechtbank aan Kort samengevat komen de grieven van eisers tegen het besluit van verweerder er op neer dat verweerder: - onvoldoende respect toont voor de grote historische waarde van het betrokken monument bestaande uit de muurresten van de voormalige Vrouwenkerk; - onvoldoende de mogelijkheden heeft onderzocht van alternatieve oplossingen voor de stedebouwkundige problematiek waarbij het monument wel (ten minste gedeeltelijk) behouden zou kunnen blijven; - geen consistent beleid heeft gevoerd ter zake van dit monument door het eerst (1982) ten koste van veel geld te conserveren en nu het resterende deel te willen slopen; in dit verband wordt er ook op gewezen dat de gemeente bij de bouw van het pand van Hennis en Mauritz in 1994 nog bepaald heeft dat de daarvoor in aanmerking komende muurresten zoveel mogelijk in de nieuwbouw geïntegreerd zouden moeten worden; - geen toestemming voor de sloop heeft gevraagd van de Minister van O.C. en W., terwijl dit op grond van de in 1982 verleende subsidie wel verplicht zou zijn. De rechtbank overweegt dat eisers hun grieven tegen de sloop van het monument en de nieuwe inrichting van het Vrouwenkerkhof in de verschillende fasen van de procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid naar voren hebben gebracht. Op grond van de door partijen ingezonden stukken is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat verweerder op zorgvuldige wijze met deze grieven is omgegaan. Zowel bij de voorbereiding van het primaire besluit als in de bezwaarfase heeft verweerder uitvoerig gereageerd op de ingebrachte bedenkingen en bezwaren en het eigen standpunt beargumenteerd. De historische waarde van het monument is daarbij op zich door verweerder nooit ontkend en staat hier niet ter discussie. De stedebouwkundige problematiek waarvoor de gemeente staat met betrekking tot het Vrouwenkerkhof is naar het oordeel van de rechtbank in de procedure zowel naar aard als naar zwaarte in voldoende mate onderzocht en uiteengezet. Niet is gebleken dat verweerder niet op zorgvuldige wijze de mogelijkheden heeft onderzocht om tot andere oplossingen te komen voor deze stedebouwkundige problematiek, waarbij het monument wel behouden zou kunnen blijven. Daaraan doet niet af dat eisers sub 1 en 2 (en anderen) wel alternatieven zien en daar de voorkeur aan geven. Dat de inzichten van verweerder met betrekking tot de oplossing van deze problematiek en met betrekking tot de mogelijkheden van behoud van het monument in de loop van de tijd gewijzigd zijn, leidt op zich niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het daarop gebaseerde beleid is kunnen komen en dat het nu bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het slopen van hetgeen in 1982 is gerestaureerd, mag op zich betreurenswaardig zijn, het vormt onvoldoende grond om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Op grond van de mededelingen van verweerder in zijn brief van 17 mei 1999 acht de rechtbank aannemelijk dat, voorzover de subsidieverlening voor de restauratie in 1982 ingevolge artikel 19 van de Beschikking van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 16 januari 1936 no 381, Afd. K.W. machtiging van de Minister van O.C. en W. noodzakelijk maakt voor de sloop van het monument, deze machtiging geacht moet worden impliciet te zijn gegeven met het ingevolge de Monumentenwet 1988 gegeven positieve advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Ook het feit dat verweerder zich bij de nieuwbouw van Hennis en Mauritz nog in 1994 tegen de verwijdering van een gedeelte van het monument heeft verzet leidt niet tot een ander oordeel, omdat de toen spelende problematiek gezien de toelichting die verweerder in zijn brief van 17 mei 1999 heeft verstrekt andere oplossingen mogelijk maakte. Het bestreden besluit berust op een door verweerder gemaakte afweging van enerzijds de historische waarde van het monument en anderzijds het belang van de door verweerder ontwikkelde oplossing voor de stedebouwkundige problematiek. Verweerder heeft z