Rechtspraak 1999-06-03
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1081
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken ________________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet ________________________________________________________ Reg.nr.: AWB 99/104 VRWET Inzake: A en B, eisers, gemachtigde mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat te Berkel-Enschot, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Eiser is geboren op [...] 1941. Eiseres is geboren op [...] 1953. Beiden bezitten de Somalische nationaliteit. Zij verblijven sedert 6 april 1995 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 7 april 1995 hebben zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard mede ten behoeve van hun minderjarige kind. Bij besluit van 28 juni 1995 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd. Dit besluit is op 5 juli 1995 aan eisers uitgereikt. Eisers hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 31 juli 1995. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij schrijven van 14 augustus 1995. Bij besluit van 8 juli 1996 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en is aan eisers een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend met ingang van 7 april 1995, geldig tot 7 april 1996, onder gelijktijdige verlenging tot 7 april 1997. Tegen het besluit van 8 juli 1996 hebben eisers beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank, zittinghoudende te Haarlem. Bij uitspraak van 1 mei 1998 is het beroep van eisers ongegrond verklaard. 2. Eisers hebben op 24 maart 1997 aanvragen ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Bij besluit van 6 oktober 1997 zijn deze aanvragen niet ingewilligd. Eisers hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt op 24 oktober 1997. De gronden van het bezwaar zijn ingediend op 13 november 1997. Op 28 november 1997 hebben eisers verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het bezwaar van eisers is bij besluit van 8 december 1997 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers op 24 december 1997 beroep ingesteld bij de rechtbank, zittinghoudende te Haarlem. Eisers hebben dezelfde dag verzocht om een voorlopige voorziening. Bij brief van 20 maart 1998 is aan eisers uitstel van vertrek verleend. Op 23 maart 1998 hebben eisers het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Op 7 december 1998 heeft verweerder in het verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. 3. De rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, heeft het beroep behandeld ter zitting van 7 januari 1999. De rechtbank heeft het beroep ter behandeling verwezen naar de Rechtseenheidskamer. 4. Bij brief van 5 februari 1999 heeft verweerder een aantal stukken toegezonden. Bij brief van 2 maart 1999 hebben eisers een aantal stukken toegezonden. Bij brief van 23 februari 1999 heeft de rechtbank verweerder vragen gesteld. Verweerder heeft bij brief van 10 maart 1999 geantwoord. 5. Bij brief van 5 februari 1999 heeft de rechtbank aan Amnesty International en de UNHCR nadere inlichtingen gevraagd omtrent de algehele situatie in Somalië. Bij brief van 22 februari 1999 heeft de UNHCR op dit verzoek gereageerd. Amnesty International heeft bij brief van 9 maart 1999 gereageerd. 6. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep heeft de rechtbank gebruik gemaakt van diverse door partijen overgelegde dan wel bij de rechtbank ambtshalve bekende stukken inzake de algehele situatie in Somalië, waaronder: - de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 mei 1995, 10 november 1995, 9 januari 1997 en 23 oktober 1998;- de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 juli 1997;- de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Stat Zoals ook in haar uitspraken van 17 november 1998 met onder meer nummer AWB 98/2947 VRWET is overwogen, ziet de rechtbank, mede gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 12b, eerste lid, Vw, geen aanleiding de wijze waarop verweerder in de brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 december 1997 (met bijlage) (TK 1997-1998, 19 637, nr. 308) over de zogenoemde 'indicatoren' voor het vvtv-beleid invulling heeft gegeven aan zijn beoordelings- en beleidsvrijheid, onredelijk te achten. De vraag of eisers aanspraak hadden op verlenging van de vvtv zal dan ook moeten worden bezien tegen de achtergrond van deze indicatoren. 7. Op 17 mei 1995 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over de situatie in Somalië. De minister van Buitenlandse Zaken geeft daarin aan dat verwijdering van afgewezen asielzoekers naar het gebied waar hun (sub-)clan dominant is of tenminste naar een gebied van waaruit zij hun (sub-)clangebied veilig kunnen bereiken, geen bijzondere veiligheidsproblemen met zich mee zal brengen. In de brief van 23 augustus 1995 aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft verweerder aangegeven, mede op basis van voornoemd ambtsbericht, besloten te hebben ten aanzien van Somalische asielzoekers het tot dan toe geldende integrale vvtv-beleid te wijzigen. Op 9 januari 1997 heeft de minister van Buitenlandse Zaken opnieuw een algemeen ambtsbericht over de algehele situatie in Somalië uitgebracht. In de brief van 27 januari 1997 van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft verweerder aangegeven aan welke categorieën afgewezen Somalische asielzoekers een vvtv wordt verleend. Bij uitspraken van 6 maart 1997 (AWB 96/7941 VRWET, AWB 96/5144 VRWET en AWB 96/12699 VRWET) heeft de Rechtseenheidskamer geconcludeerd dat verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat gedwongen verwijdering van afgewezen Somalische asielzoekers naar Noord-Somalië van een bijzondere hardheid is, mits deze asielzoekers behoren tot een van de vier volgende categorieën: -a. (Noord-)Somaliërs wier (sub)clan traditioneel uit de betrokken gebieden afkomstig is; -b. daaronder tevens (Noord)-Somaliërs die substantiële perioden van hun leven in Zuid-Somalië hebben gewoond; -c. Zuid-Somaliërs die substantiële perioden van hun leven in Noord-Somalië hebben gewoond (alternatief vestigingsgebied); -d. Zuid-Somaliërs van wie een clanrelatie met een van de Noord-Somalische clans kan worden verondersteld. 8. Bij uitspraak van 8 januari 1998 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te Haarlem geoordeeld dat de wijziging van het beleid in Somalische zaken voorzover inhoudende dat de provincie Mudug als (relatief) veilig gebied kan worden aangemerkt, en dat een relatie op clanniveau ook bij zeer grote clans als de Darod en Hawiye toereikend is om een terugkeermogelijkheid naar het noorden aanwezig te achten, onvoldoende door verweerder is gemotiveerd. 9. In het ambtsbericht dat de minister van Buitenlandse Zaken op 23 oktober 1998 heeft uitgebracht over de algehele situatie in Somalië concludeert de minister dat terugkeer naar Somalië mogelijk is, indien de betrokken persoon voor zijn vertrek uit Somalië in een relatief veilig gebied heeft verbleven, dan wel daar een clanrelatie heeft. In dit ambtsbericht is Somalië onderverdeeld in een relatief veilig, een conflict- en een onzeker gebied: 1) Het relatief veilige gebied in Somalië; daarbij gaat het om de provincies Awdal, Galbeed, Togdheer, Sanaag, Sool (tezamen Somaliland genoemd), Bari, Nugaal, Mudug (dit is het Noord-Oosten van Somalië, ook wel Puntland genoemd) en de centraal gelegen provincies Galgadud en Hiiraan; 2) Het conflictgebied; dit betreft de driehoek tussen de steden Mogadishu, Baidoa en Kismayo; 3) Het onzekere gebied; dit betreft de zuidelijke provincies Bay, Bakool, Gedo, Lower en Middle Juba en Lower en Middle Shebelle. 10. Bij brief van 20 november 1998 heeft de Staatssecretaris van Medio 1997 werd tussen de Majerteen-geleide SSDF en de Haber Gedir-geleide SNA een vredesovereenkomst ondertekend. Bij die gelegenheid werd door leden van beide clans in Galkaayo een verzoeningsoptocht gehouden. (..)". Amnesty International maakt in haar brief van 9 maart 1999 aan de rechtbank melding van incidentele gevechten in 1998 in het Hoboyo district. In de door eisers overgelegde stukken van o.m. Reuters wordt eveneens melding gemaakt van deze incidenten. Het enkele feit dat zich recent nog enkele incidenten hebben voorgedaan rechtvaardigt evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat de algemene veiligheidssituatie zodanig is dat geen enkele afgewezen Somalische asielzoeker naar voornoemd relatief veilig deel van Somalië kan terugkeren. Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat het ambtsbericht van 23 oktober 1998 in het onderhavige geval kan dienen als nadere onderbouwing van de wijziging van het beleid betreffende de veiligheidssituatie in Mudug. De rechtbank concludeert dat het ambtsbericht van 9 januari 1997 discrepanties bevat met betrekking tot de vraag of het zuidelijk deel van de provincie Mudug gerekend moet worden tot het "veilige" noordoosten of tot het "onveilige" zuidelijke deel van Somalië. De rechtbank acht deze discrepanties met het ambtsbericht van 23 oktober 1998 weggenomen. Dit ambtsbericht, dat mede is gebaseerd op informatie van een ambtelijke missie die begin 1998 delen van Somalië heeft bezocht, geeft, naar het oordeel van de rechtbank, ook een beeld van de situatie in Somalië in de voor deze zaak van belang zijnde periode en bevat in zoverre een verduidelijking van het ambtsbericht van 9 januari 1997. Van tussentijdse wijzigingen in die situatie is de rechtbank niet gebleken. Het ambtsbericht geeft ook een actualisering van de ontwikkelingen in de algemene situatie in Somalië in de periode gelegen tussen het ambtsbericht van 9 januari 1997 en dit ambtsbericht van 23 oktober 1998. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder, bij zijn wijziging van beleid per 27 januari 1997, in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de provincie Mudug (relatief) veilig kan worden geacht, aan welk oordeel een voldoende motivering ten grondslag ligt. 13. Vervolgens is de vraag aan de orde of het standpunt van verweerder dat een relatie op clanfamilie-niveau ook bij zeer grote clanfamilies als de Darod en Hawiye toereikend is om een terugkeermogelijkheid naar het noorden aanwezig te achten. Hierbij merkt de rechtbank allereerst op dat zij zich aansluit bij de onder meer in het ambtsbericht van 23 oktober 1998 gehanteerde terminologie ten aanzien van de clanstructuur in Somalië, waarbij er van wordt uitgegaan dat het volk der Somali bestaat uit zes grote clanfamilies, waartoe onder anderen de Hawiye behoren. Binnen deze clanfamilies bestaan er clans, zoals de Wa'dan (Wacdaan) en de Darandoole, waartoe eiser respectievelijk eiseres behoort en subclans. 14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een relatie op clanfamilieniveau toereikend is om een terugkeermogelijkheid naar het noorden aanwezig te achten. Verweerder heeft aangegeven dat eisers, behorend tot de clanfamilie van de Hawiye, woonachtig in het centrale deel van Somalië, daarmee behoren tot de onder d genoemde categorie in rechtsoverweging 7, te weten Zuid-Somaliërs van wie een clanrelatie met een van de Noord-Somalische clans kan worden verondersteld en dat van hen kan worden verwacht dat zij zich begeven naar voornoemd gebied in Noord-Somalië. 15. In de meergenoemde uitspraak van 8 januari 1998 is onder meer geoordeeld dat het standpunt van verweerder dat een relatie op clanfamilieniveau ook bij zeer grote clans als de Darod en Hawiye toereikend is om een terugkeermogelijkheid naar het noorden aanwezig te achten, onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe is overwogen dat niet aanstonds is in te zien dat een clan een uit clanfamilieverwantschap voortvloeiende bereidheid zou voelen zich over een