Rechtspraak 1999-01-25
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1080
President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr.: 98/08606, 98/08634, 98/09421, 98/08584 en 98/08651 Inzake 1. Stichting Wijkberaad Vrederust, Kouwenhoven, Kouwenhoven-de Nes, R. van Seijen, allen te Den Haag, 2. Snowworld Beheer B.V. te Zoetermeer, [namen verzoekers sub 2], allen te Den Haag, 3. [verzoeker sub 3] te Monster, 4. Snowworld Beheer B.V. te Zoetermeer, [namen verzoekers sub 4] ,verzoekers, tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Derde partij(en): Beheer en Exploitatiemaatschappij De Uithof B.V. te Den Haag, vergunninghoudster en Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. 1. Gevraagde voorlopige voorzieningen. Voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 Awb zijn verzocht ten aanzien van de besluiten van verweerder van 1.13 november 1998, kenmerk BW980808, waarbij bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend voor het veranderen en vergroten van het schaatscentrum De Uithof, Jaap Edenweg 10 te Den Haag, ten behoeve van nieuwe activiteiten, alsmede vrijstelling op grond van artikel 2.5.30 onder 3b van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag is verleend voor 407 parkeerplaatsen ten behoeve van de uitbreiding; 2.2 juni 1998, kenmerk S98007370/964486, waarbij vergunning is verleend voor het rooien van 257 houtopstanden in verband met de voorgenomen uitbreiding van De Uithof en; 3.13 november 1998, kenmerk S98028014/967172, waarbij vergunning is verleend voor het rooien van 35 houtopstanden in verband met de voorgenomen uitbreiding van de Uithof. Tegen besluit sub 1 hebben verzoekers sub 1 bij brief van 13 november 1998, verzoekers sub 2 bij brief van 16 november 1998 en verzoeker sub 3 bij brief van 10 december 1998 bezwaarschriften ingediend. Tegen besluit sub 2 hebben verzoekers sub 4 bij brief van 10 juni 1998 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Tegen besluit sub 3 hebben verzoekers sub 2 bij brief van 16 november 1998 een bezwaarschrift ingediend. 2. Zitting. De verzoeken om voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van 14 januari 1999, alwaar verzoekers sub 1 zich hebben doen vertegenwoordigen door mr. C.M.E. Verhaegh, verzoekers sub 2 en 4 door mr. J.A. Huijgen en verzoeker sub 3 door mr. J. Hiemstra. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.M.C. Schuurmans. Voor vergunninghoudster is verschenen mr. M.J.C. Somson. Namens gedeputeerde staten van Zuid-Holland zijn verschenen P.J.V. Severijns en mr. J. de Haas. 3. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. 1.Ten aanzien van de bouwvergunning. Bij het bestreden besluit sub 1 heeft verweerder met toepassing van de anticipatieprocedure bouwvergunning verleend voor het veranderen van en vergroten van het schaatscentrum De Uithof te Den Haag, met nieuwe activiteiten zoals indoor-skiën, karten, rock en ice-climbing en bijbehorende verenigings- en kantoorruimten, alsmede ruimten voor sportgelieerde detailhandel, horeca, een auditorium, medische trainingstherapie, een topsportaccommodatie en een reisbureau. Voorts is vrijstelling verleend op grond van artikel 2.5.30, lid 4, van de gemeentelijke bouwverordening voor 407 parkeerplaatsen ten behoeve van de uitbreiding van De Uithof. Tegen dit be 1998, 582, inwerkingtreding 1-1-1999) waarbij de tekst van lid 2, onder b, sub 2, luidt: "indien binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, met ingang van de dag na die waarop op dat verzoek is beslist.", hetgeen blijkens de toelichting de met de wijziging in de Leemtewet ontstane onduidelijkheid wegneemt en aansluit bij de oorspronkelijke tekst en bedoeling die de wetgever bij het opnemen van artikel 52 in 1992 had. Daarenboven brengt deze wijziging van artikel 52 naar voorlopig oordeel van de president met zich dat wegens het ontbreken van een overgangsbepaling terzake van dit artikel de aanhoudingsplicht per 1 januari 1999 van rechtswege is komen te vervallen. 1.3 Milieu-effectrapportage (MER). Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Ter uitwerking van voornoemd artikellid is vastgesteld het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit). Krachtens artikel 2, eerste lid, van dit Besluit worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven. In onderdeel C, sub 10.1, is als zo'n activiteit de aanleg van een recreatieve of toeristische voorziening genoemd, in gevallen waarin -voor zover in casu van belang- de activiteit 500.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt en het gaat om de vaststelling van een ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet. Onder ruimtelijk plan wordt aldus onderdeel A, eerste lid, onder c, van de bijlage bij het Besluit verstaan: streek-, structuur- of bestemmingsplan, alsmede vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17, 19 of 40 van de WRO. Niet ter discussie staat dat de vrijstelling ex artikel 19 WRO het ruimtelijk plan is dat als eerste voorziet in de aanleg van de recreatieve voorziening. Evenmin is in geding dat eerst sprake is van een plicht tot het opstellen van een MER als de uitbreiding op zich (dus niet inclusief de bestaande inrichting) 500.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt. Partijen verschillen echter van mening over het aantal bezoekers dat deze uitbreiding op jaarbasis zal aantrekken. Verweerder en vergunninghoudster hebben zich op het standpunt gesteld dat de uitbreiding rond de 300.000 bezoekers extra zal aantrekken. Zij zien zich daarbij gesteund door meerdere accountantsrapporten, die uiteindelijk allen wijzen op een iets lagere toename, namelijk van gemiddeld 250.000. Verzoekers zijn van mening dat aan de betrouwbaarheid van de accoutantsrapporten getwijfeld kan worden, aangezien de daarin genoemde aantallen ongeloofwaardig zijn. Daarbij wordt gewezen op het feit dat de jaarverslagen van "De Uithof" over de jaren 1991-1997 een gemiddeld aantal bezoekers van de bestaande inrichting aangeven van 423.600. Zij zijn dan ook van oordeel dat aan de hand van capaciteitsberekeningen en bezoekersaantallen van vergelijkbare inrichtingen of activiteiten in den lande het aantal bezoekers extra op jaarbasis de 1.000.000 overschrijdt. De president overweegt dat bij de bepaling van het aantal te verwachten bezoekers op jaarbasis als uitgangspunt heeft te dienen de door de aanvrager van de vergunning opgegeven aantallen. In de verschillende accountants-rapporten is per activiteit aangegeven hoeveel bezoekers ongeveer zullen worden verwacht, waarbij terecht wordt uitgegaan van een gemiddelde bezetting, zodat bezoekers de activiteiten in voldoende mate kunnen beoefenen. De president ziet niet in dat verweerder, zonder zelf nader onderzoek te verrichten, niet van deze bezoekersaantallen had mogen uitgaan. Dit ligt slechts anders indien de aantallen zo onwaarschijnlijk laag dan wel evident onjuist zijn Gedeputeerde staten hebben op 10 juli 1998 de op grond van artikel 19 WRO vereiste verklaring van geen bezwaar verleend. Het bouwplan is vervolgens op 9 november 1998 gewijzigd. Blijkens de bouwtekeningen gaat het voornamelijk om inpandige wijzigingen, die planologisch bezien geen veranderingen met zich brengen. De stelling van verzoekers sub 1 dat een nieuwe verklaring van geen bezwaar had moeten worden afgegeven, deelt de president derhalve niet. Hieruit volgt dat aan de formele vereisten voor het volgen van de anticipatieprocedure is voldaan. Vastgesteld wordt dat de bevoegdheid om via de anticipatieprocedure medewerking te verlenen aan een bouwplan, slechts gegeven is voor situaties waarin de totstandkoming van het bestemmingsplan waarop wordt vooruitgelopen, redelijkerwijs niet kan of behoeft te worden afgewacht. De gebruikmaking van deze bevoegdheid vereist een belangenafweging, waarbij onder meer de omvang, de mate van planologische ingrijpendheid, de betekenis en urgentie van het bouwplan moeten worden afgewogen tegen het nadeel dat het reeds voltooid zijn van de gewraakte bouw afbreuk zal doen aan de mogelijkheid voor derden om zinvol tegen het bestemmingsplan op te komen. Van de zijde van vergunninghoudster is naar het oordeel van de president voldoende aannemelijk gemaakt dat voor het behoud van een gezonde bedrijfsvoering van "De Uithof" spoedige uitbreiding met eerdergenoemde activiteiten noodzakelijk is. Eveneens aannemelijk is dat het voor de gemeente Den Haag vanuit zowel toeristisch - als werkgelegenheidsoogpunt dringend gewenst is dat de kwaliteit van de accommodatie op een hoger peil wordt gebracht. Op zichzelf zijn deze belangen van voldoende gewicht om het volgen van de anticipatieprocedure te kunnen rechtvaardigen. Geoordeeld wordt dat aan de urgentie geen zwaardere eisen behoeven te worden gesteld, aangezien de inbreuk op het planologische regime een beperkte is. Immers, geen inbreuk wordt gemaakt op de bestemming die aan de gronden is gegeven; vrijstelling is alleen nodig vanwege de overschrijding van bebouwingsgrenzen en bouwhoogte. De toepassing van de anticipatieprocedure maakt tevens noodzakelijk dat een planologische toetsingskader voorhanden is. Een voorontwerp-bestemmingsplan is in procedure gebracht, op grond waarvan op het onderhavige perceel de bestemming "Sportdoeleinden-sport- en recreatiecentrum" rust. Niet gebleken is dat het bouwplan niet past binnen deze bestemming. Voort is het voorontwerp onderwerp van overleg ex artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 geweest en heeft de Provinciale Planologische Commissie onder voorwaarden van nadere onderbouwing van verschillende onderdelen ermee ingestemd. Ten aanzien van de onderbouwing betreffende de ecologische zone is gebleken dat die zone op het kritieke punt een breedte heeft van 25 meter, doch conform het beleid van gedeputeerde staten zal worden verbreed tot 40 meter. Derhalve kan worden aangenomen dat het voorontwerp-bestemmingsplan voldoende draagvlak heeft. Naar het oordeel van de president is er een voldoende planologisch kader op grond waarvan de anticipatieprocedure gerechtvaardigd is. 1.5 Parkeren. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.5.30, lid 6, van de gemeentelijke bouwverordening vrijstelling verleend voor het aanleggen van 407 parkeerplaatsen. Daarbij is overwogen dat het huidige naastgelegen parkeerterrein wordt uitgebreid van 437 tot 600 parkeerplaatsen, terwijl op circa 500 meter van de inrichting een tweede openbaar parkeerterrein aanwezig is met 400 parkeerplaatsen. Verzoekers zijn van mening dat het aantal parkeerplaatsen, gelet op het aantal bezoekers, te laag is berekend en ontoereikend is om het aantal bezoekers op te kunnen vangen tengevolge waarvan in de omgeving de parkeerdruk zal worden verhoogd. De president overweegt dat in casu de parkeernormen dienen te worden vastgesteld aan de hand van de normen neergelegd in de bouwverordening. Daarin wordt, afhankelijk van de functie van de inrich