Rechtspraak 1999-06-10
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet Reg.nr.: AWB 99/1484 VRWET Inzake: [eiser] en [eiseres], echtelieden, beiden wonende te [woonplaats], eisers, gemachtigde mr. A.A. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigden mrs. G.M.H. Hoogvliet en H.A. Groen, beiden advocaat te 's-Gravenhage. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Eisers, geboren op respectievelijk [...] 1966 en [...] 1971, bezitten de Turkse nationaliteit. Eisers zijn vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser is volgens zijn verklaring in of omstreeks 1982 Nederland binnengekomen. Hij is op 18 mei 1984 en nadien op 22 oktober 1987 uit Nederland verwijderd wegens illegaal verblijf. Bij brief van 5 januari 1993, ontvangen door het hoofd van plaatselijke politie te C op 7 januari 1993, heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "het verrichten van arbeid in loondienst c.q. wegens klemmende redenen van humanitaire aard". Bij besluit van 27 juni 1994 heeft de korpschef van de regiopolitie D de aanvraag niet ingewilligd. Eiser heeft tegen dit besluit administratief beroep ingesteld bij beroepschrift van 11 juli 1994. De gronden daarvan zijn ingediend bij brief van 10 augustus 1994. Op 28 september 1994 heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, inhoudende een verbod tot uitzetting totdat op het administratief beroep is beslist. Op 13 oktober 1994, 29 september 1995, 3 en 8 oktober 1995 heeft eiser de gronden van het administratief beroep aangevuld en/of nadere stukken ingediend. In het verweerschrift van 26 september 1995 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het administratief beroepschrift en tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 17 oktober 1995 van de president van de rechtbank is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en is, met toepassing van artikel 33b Vw, het administratief beroep ongegrond verklaard. Bij brief van 23 oktober 1995 heeft eiser aan verweerder verzocht om herziening van de beslissing in administratief beroep. Bij brief van 9 september 1996 heeft verweerder aan eiser bericht dat het verzoek om ambtshalve herziening niet in behandeling wordt genomen omdat eiser ingevolge artikel 8:88 Awb een dergelijk verzoek dient in te dienen bij de rechtbank. Eiser heeft hiertegen bij bezwaarschrift van 30 september 1996 bezwaar gemaakt op nader aan te voeren gronden. Eiseres heeft zich op 24 maart 1994 aangemeld bij de korpschef van de regiopolitie D. Vervolgens heeft zij, mede ten behoeve van hun minderjarige zoon E (geboren op [...] 1993), een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij echtgenoot A". Eiser heeft vervolgens op 23 oktober 1995, mede onder verwijzing naar zijn brief van 8 oktober 1995, opnieuw bij de korpschef van de regiopolitie D een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "humanitaire redenen op grond van arbeidsverleden". Bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 1997 heeft verweerder op de aanvragen van 24 maart 1994 (eiseres) en 23 oktober 1995 (eiser) afwijzend beslist. De afwijzende beslissing ten aanzien van eiseres betreft mede hun minderjarige zoon F (geboren op [...] 1996). Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt bij afzonderlijke bezwaarschriften van 17 juni 1997. Op 15 september 1997 hebben eisers de gronden van het bezwaar aangevuld. Bij brief van 14 oktober 1997 heeft verweerder aan eisers bericht dat zij de beslissing op hun bezwaarschrift niet in Nederland mogen afwachten. Op 25 oktober 1997 hebben eisers een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, inhoudende een verbod tot uitzetting totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft bij afzonderlijke besluit Eiser geeft aan dat de politieke problemen waarmee zijn familie, die pro-PKK is, te kampen heeft, in de eerdere procedure niet door hem ter sprake zijn gebracht omdat hij er destijds op vertrouwde dat hij zou worden toegelaten op grond van de langdurig-illegalenregeling. 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nieuwe aanvraag van 23 oktober 1995 terecht is afgewezen onder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb. 3.1 Voorts wijst verweerder erop dat eiser geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan het langdurig-illegalenbeleid nu aan de indiening door eiser van de nieuwe aanvraag niet een periode van minstens zes jaar onafgebroken illegaliteit is voorafgegaan. Verweerder wijst erop dat eiser ingevolge het beleid de behandeling van zijn eerste toelatingsverzoek in ons land mocht afwachten. Eiser kon derhalve in die periode niet als illegaal in aanmerking worden gebracht voor verwijdering. Daarin verschilt de periode van dat verblijf wezenlijk van het verblijf van een vreemdeling die zich nimmer ter verkrijging van een vergunning tot verblijf heeft aangemeld en, indien aangetroffen, voor verwijdering in aanmerking komt, aldus verweerder. Verweerder voert in dit verband nog aan dat de omstandigheid dat in de toelichting bij het beleid in TBV 1996/4 is vermeld dat de ratio van het langdurig-illegalenbeleid zich verzet tegen analoge toepassing in gevallen waarin de vreemdeling op grond van artikel 9 en/of 10 Vw toelating heeft gehad, niet maakt dat daaruit a contrario de conclusie kan en mag worden getrokken dat aan andere, niet in die toelichting gespecificeerde vormen van niet-illegaal verblijf in Nederland, bij de uitvoering van het langdurig-illegalenbeleid moet worden voorbijgegaan. Verweerder beroept zich wat deze uitleg van het beleid betreft op een zijns inziens relevante overweging in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 1996, die volgens verweerder met instemming is geciteerd in de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 19 februari 1998 (AWB 97/6846 VRWET). Voorts wijst verweerder op uitspraken van deze rechtbank van 13 mei 1998 (AWB 97/2888 VRWET, nevenzittingsplaats Amsterdam), 25 juni 1998 (AWB 97/11738 VRWET, nevenzittingsplaats Amsterdam), 6 november 1998 (AWB 98/260 en 97/8656 VRWET, nevenzittingsplaats Haarlem), 19 februari 1999 (AWB 98/138 VRWET) en 8 maart 1999 (AWB 98/1843 V1, nevenzittingsplaats Den Bosch). Verweerder benadrukt dat het beleid dat een tweede aanvraag niet alsnog tot inwilliging kan leiden en dat, in het verlengde hiervan, de periode ná de indiening van de eerste toelatingsaanvraag niet meetelt, door de Rechtseenheidskamer in haar uitspraak van 28 november 1996 (AWB 96/7820 VRWET) als niet onredelijk is aanvaard. Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 september 1998 stelt verweerder zich op het standpunt dat de rechtbank daarin ten onrechte heeft geoordeeld dat een vóór TBV 1995/1 ingediende aanvraag niet in de weg staat aan een geslaagd beroep op het langdurig-illegalenbeleid. Verweerder wijst er in dit verband mede op dat de omstandigheid dat het mogen afwachten van de behandeling van een ingediende aanvraag niet expliciet is vermeld in de weigeringsgronden van TBV 1995/1 en TBV 1996/4, niet betekent dat een eerdere aanvraag niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Verweerder voert daartoe aan dat de weigeringsgronden in deze TBV's immers niet limitatief zijn opgesomd, nu daarin de volgende formulering wordt gebezigd: 'Een aanvraag om toelating wordt in elk geval [onderstreping van verweerder] niet ingewilligd indien er sprake is van één van de volgende weigeringsgronden.' 3.2 Verweerder wijst er op dat eiser heeft aangevoerd dat hij bepaalde aspecten met betrekking tot zijn Koerdische afkomst, die hij in zijn eerdere toelatingsprocedure niet heeft gemeld omdat hij meende dat hij aanspraak had op toelating op grond van het langdurig-illegalenbeleid, in deze tweede procedure wel naar voren wenst te brengen. Verweerder acht deze processuele opste Voorwaarden Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden om in het individuele geval af te wijken van het staand beleid ten aanzien van illegalen, dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de band die de betrokken vreemdeling met Nederland heeft opgebouwd tijdens zijn illegaal verblijf hier te lande en de banden die hij nog heeft met het land van herkomst. Daarbij zijn onder meer van belang: de aard en totale duur van het verblijf in Nederland, de gezinssituatie, kennis van de Nederlandse taal en bekendheid bij andere overheidsdiensten. Om voor toelating in aanmerking te kunnen komen dient de betrokken vreemdeling minimaal te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. op het moment van aanvraag om toelating moet de vreemdeling kunnen aantonen minimaal zes jaar ononderbroken in Nederland te hebben verbleven direct voorafgaand aan de aanvraag om toelating; b. gedurende deze periode moet de vreemdeling ononderbroken inkomen hebben verkregen uit arbeid waarvoor premies en belastingen zijn betaald danwel inkomen hebben genoten uit een inkomensvervangende uitkering waarvoor premies en belastingen zijn afgedragen. ad a. en b.: Uit het voorgaande blijkt dat er op het onderhavige terrein sprake is van een uitzonderingsbeleid. Het illegalenbeleid is dan ook nadrukkelijk en uitsluitend bedoeld voor diegenen die langdurig illegaal in Nederland verblijven. De ratio van dit beleid verzet zich dan ook tegen analoge toepassing in gevallen waarin een vreemdeling op grond van het bepaalde in de artikelen 9 en/of 10 van de Vreemdelingenwet 1994 in Nederland heeft verbleven. In voorkomende gevallen dient bij de beoordeling van een beroep op het onderhavige beleid een periode van legaal verblijf buiten beschouwing te blijven. De voorwaarden voor voortgezet verblijf zijn immers limitatief in het reguliere toelatingsbeleid vastgelegd. (..) 3. Weigeringsgronden Een aanvraag om toelating wordt in elk geval niet ingewilligd indien er sprake is van één van de volgende weigeringsgronden: a. gecontroleerd vertrek in de periode onder 2 genoemd; b. het verstrekken van onjuiste gegevens; c. het bezit van valse documenten; d. criminele activiteiten. 4. Toelatingsprocedure en bevoegdhedenverdeling (..) 5. Beperking en voorschrift Indien verblijf wordt toegestaan wordt een vergunning tot verblijf zonder beperking verleend. (..)' 7. De rechtbank gaat hier allereerst in op de vraag of het indienen van een nieuwe aanvraag na indiening (en eventueel -zoals in casu- ook afwijzing) van (een) eerdere anvra(a)g(en) onder het oude beleid, (alsnog) kan leiden tot toelating op grond van het langdurig-illegalenbeleid. De rechtbank stelt vast dat dienaangaande in IND-werkinstructie nr. 86 is opgenomen: 'het indienen van een nieuwe aanvraag na afwijzing van een eerdere aanvraag Onder het oude beleid hebben dergelijke aanvragen in de meeste gevallen alsnog tot een inwilliging geleid. Onder het nieuwe beleid dienen dergelijke aanvragen te worden afgewezen. Gedurende de behandeling van de eerste aanvraag verblijft de vreemdeling immers met instemming van het bevoegd gezag in Nederland. Leidt de behandeling uiteindelijk tot een afwijzing dat zal (-) een aanzegging krijgen Nederland te verlaten. Het te vroeg indienen van de aanvraag komt voor rekening en risico van de vreemdeling. (..)' 8. De rechtbank constateert allereerst dat de tekst van IND-werkinstructie nr. 86 er geen misverstand over laat bestaan dat onder het oude beleid aan de vreemdeling in de praktijk niet werd tegengeworpen dat hij reeds eerder een aanvraag had ingediend. In dit opzicht was de beslispraktijk onder het oude beleid dus kennelijk soepeler dan verweerder blijkens het gestelde in IND-werkinstructie nr. 86 met het nieuwe beleid beoogt. De in IND-werkinstructie nr. 86 opgenomen formulering, die toelating op grond van het langdurig-illegalenbeleid uitsluit indien de vreemdeling een eerdere aanvraag heeft ingediend, is derhalve aan te merken als een materiële beleidswijz