Rechtspraak 1998-07-15
ECLI:NL:RBSGR:1998:AA9868
AvW/B rolnummer: 96/2526 datum vonnis: 15 juli 1998 DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, sector civiel recht - kamer B Vonnis in de zaak van: [eiser], wonende te Dussen, eiser, procureur: mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, tegen: de Staat der Nederlanden (ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij), zetelend te 's-Gravenhage, gedaagde, procureur: mr R.J.M. van den Tweel. Partijen zullen in het vervolg worden aangeduid met [eiser] en de Staat. Partijen hebben ter vonniswijzing overgelegd het tussenvonnis van deze rechtbank van 1 oktober 1997 en de daarin genoemde stukken alsmede de akte houdende uitlating zijdens de Staat. RECHTSOVERWEGINGEN: 1. De feiten. 1.1 In het kader van de ruilverkaveling Zonzeel heeft [eiser] in 1983 toebedeeld gekregen een perceelsoppervlakte van 9,81 ha aan bedrijfsgrond. Voorafgaand aan deze toedeling had [eiser] de beschikking over 10,5325 ha. bedrijfsgrond gelegen binnen het ruilverkavelingsgebied Zonzeel. Tegen het Plan van Toedeling waarin voormelde toedeling aan [eiser] is neergelegd, heeft [eiser] in november 1983 een bezwaarschrift ingediend, welk bezwaarschrift hij op 16 april 1986 heeft ingetrokken. 1.2 Op 1 april 1984 is in werking getreden de Beschikking superheffing (Bsh). Ingevolge artikel 17, eerste lid van de Bsh is een melkproducent, voor zover hier van belang, de ingevolge die regeling verschuldigde heffing niet verschuldigd indien het bedrijf niet ononderbroken is voortgezet kunnen worden ten gevolge van de afwikkeling van ruilverkaveling op grond van de Ruilverkavelingswet 1954. Op grond van het derde lid beslist de minister over de erkenning van een aanspraak als bedoeld in het eerste lid en kan hij ter zake nadere regelen stellen. Dit laatste is gebeurd in de Uitvoeringsregeling superheffing van 13 november 1985. 1.3 Bij besluit van 11 december 1985 heeft de directeur van de Landinrichtingsdienst (verder: de directeur) afwijzend beslist op de aanvraag van [eiser] om toekenning van een extra hoeveelheid heffingvrije melk op grond van artikel 17 van de Bsh. 1.4 Bij uitspraak van 22 januari 1992 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) het door [eiser] tegen het onder 1.3 bedoelde besluit van de minister van landbouw en visserij (verder: de minister) ingestelde beroep, verworpen. 1.5 In zijn arrest van 19 april 1994 heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM), rechtsprekende in de zaak Van den Hurk/Staat der Nederlanden, in r.o. 64 het volgende overwogen: "This claim is based on the assumption that the judgment of the Tribunal would have been favourable to the applicant had the alleged violations of Article 6 § 1 not taken place. However, it is by no means clear that the outcome of the case would have been different in the absence of the violation found (see paragraph 55 above). The Court therefore agrees with the Delegate of the Commission and the Government that the applicant's claim under this head must be dismissed." Voor zover hier van belang, heeft het EHRM in dit arrest het volgende beslist: "1. Holds by six votes to three that there has been a violation of Article 6 § 1 in that the applicant's civil rights and obligations were not "determined" by a "tribunal" within the meaning of that provision; 2. Holds unanimously that there has been no violation of Article 6 § 1 as regards the requirements of fairness of proceedings; (...)" De weergegeven uitspraak van het EHRM had betrekking op een door Van den Hurk bij dit hof aangevochten uitspraak van het CBB. 2. De vordering, de grondslag en het verweer. 2.1 [eiser] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en uit dien hoofde jegens hem schadeplichtig is, ter zake van de volgende gronden, afzonderlijk en/of in onderlinge samenhang beschouwd: a. het inrichten, voorbereiden, vaststellen en handhaven van de met het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige rechtsgang Niet-ontvankelijkheid vloeit evenwel volgens de Staat ook voort uit het niet binnen een redelijke termijn na meergenoemd arrest van het EHRM voorleggen van het geschil omtrent de (on-)rechtmatigheid van het besluit van 11 december 1985 aan de rechtbank. De Staat heeft voorts - kort samengevat - betoogd dat [eiser] niet voldeed aan de criteria voor het ontmengersbeleid. 3. Beoordeling. 3.1 Ontvankelijkheid 3.1 De Staat heeft gesteld dat hij in zijn mogelijkheden van verweer wordt beperkt doordat vele jaren na een uitspraak van het CBB de rechtmatigheid van een besluit alsnog wordt aangevochten en voorts dat het van belang is dat hij zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen kan treffen indien zou blijken dat verhoging van de individuele melkquota tot een overschrijding van het nationale melkquotum leidt. Wat er zij van deze door de Staat aangevoerde redengeving, niet aannemelijk is dat, nu de uitspraak van het CBB dateert van 22 januari 1992 en het arrest van het EHRM van 19 april 1994, de Staat zodanig is benadeeld door de termijn die daarna is verlopen alvorens werd gedagvaard, dat de zaak in redelijkheid niet meer kon worden geëntameerd. De omstandigheid dat [eiser] geruime tijd (ongeveer 26 maanden na het arrest van het EHRM), heeft gewacht alvorens tot dagvaarding van de Staat over te gaan, brengt naar het oordeel van de rechtbank op zich niet met zich dat het hem in redelijkheid niet meer vrij zou staan om de Staat aan te spreken voor onrechtmatig handelen ten gevolge waarvan hij, [eiser], schade zou hebben geleden. Daar komt bij dat [eiser] de Staat bij brief van 19 maart 1996 aansprakelijk heeft gesteld, zodat de Staat vanaf die datum rekening kon houden met de onderhavige procedure. Dit verweer van de Staat moet mitsdien falen. Ten gronde 3.2 De onder 2.1 sub a,c,d en e genoemde grondslagen waarop [eiser] zijn vordering baseert, kunnen naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatige daad opleveren. Daartoe overweegt zij dat, ook al kleefde aan de rechtsgang bij het CBB de door het EHRM geconstateerde - verdragsrechtelijke - onvolkomenheid, niet kan worden staande gehouden dat het inrichten en in stand houden van die rechtsgang op zich naar nationale maatstaven gemeten onrechtmatig was ten opzichte van een individuele rechtzoekende. Verwezen zij daartoe naar hetgeen het EHRM in haar arrest van 19 april 1994 heeft overwogen in r.o. 64 en naar hetgeen dit hof in punt 2 van het dictum van dit arrest heeft beslist (zie 1.5). Ook het voorbereiden, vaststellen en handhaven van de uitspraak van het CBB kan derhalve op zich geen onrechtmatig handelen van de Staat opleveren. Evenmin ziet de rechtbank grond voor het oordeel dat de Staat aansprakelijk is omdat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden. Daartoe geldt dat van algemene bekendheid is dat de Bsh in de tachtiger jaren tot een stortvloed van zaken bij het CBB aanleiding heeft gegeven hetgeen een tijdelijke achterstand heeft opgeleverd. Gesteld noch gebleken is dat de Staat niet voortvarend genoeg de nodige maatregelen heeft getroffen teneinde de achterstand in de in deze zaken te nemen beslissingen op te heffen. Mede gelet op het hiervoor onder deze rechtsoverweging gestelde, kan derhalve de Staat geen overschrijding van de redelijke termijn worden verweten. Ook het niet aanbieden door de Staat van schadevergoeding aan [eiser] kan niet worden aangemerkt als onrechtmatig, nu niet valt in te zien dat de Staat daartoe gehouden zou zijn alvorens vast staat dat de onder 1.3 weergegeven beslissing onrechtmatig is. Het beroep dat [eiser] in dit verband heeft gedaan op de jurisprudentie van de HR zoals die - met name - naar voren komt in het arrest van 18 januari 1991 (NJ 1992,638; Varkensmester) kan niet slagen, nu moet worden geoordeeld dat de Bsh zich richt tot alle melkveehouders en in beginsel ook voor die gehele beroepsgroep gevolgen met zich brengt. 3.3 Voor zover het betreft de onder 2.1 sub b genoemde grondslag van de vordering van [eiser] overweegt d