Rechtspraak 1998-12-07
ECLI:NL:RBSGR:1998:AA5753
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Haarlem Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken U I T S P R A A K ex artikel 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 98/4969 VRWET D Inzake: A, geboren op [...] 1970, van Colombiaanse nationaliteit, voorheen verblijvende in het Penitentiair Centrum Nieuwersluis te Nieuwersluis, hierna te noemen: de vreemdeling, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder. Terechtzitting: 28 september 1998. De vreemdeling is vertegenwoordigd door zijn raadsman mr G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr A.E.J.I. Kuhlmann. 1. Ontstaan en loop van het geding Op 14 mei 1998 is de vreemdeling aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Op 21 augustus 1998 is hij bij vervroegde uitspraak door de rechtbank Utrecht vrijgesproken en onmiddellijk in vrijheid gesteld. Op gelijke datum is hij staande gehouden en opgehouden ingevolge artikel 19, eerste en tweede lid, Vw. Op 21 augustus 1998 is de uitzetting gelast en is hij bij bevel tot bewaring op grond van artikel 26, eerste lid, Vw in bewaring gesteld. Bij beroepschrift van 25 augustus 1998, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op gelijke datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding. Op 25 augustus 1998 is de vreemdeling met het vliegtuig uitgezet naar Colombia. 2. Overwegingen Nu de bewaring is opgeheven strekt het beroep nog uitsluitend tot toekenning van schadevergoeding. Daartoe dient te worden beoordeeld of de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Namens de vreemdeling is hiertoe onder meer aangevoerd dat ten aanzien van de vreemdeling ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 19, eerste en tweede lid, Vw, nu op het tijdstip van de staandehouding ex artikel 19, eerste lid, Vw de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling vast stonden. In verband hiermee is de daarop volgende inbewaringstelling eveneens onrechtmatig. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van de stukken (model D77) en het verhandelde ter zitting kan als vaststaand worden aangenomen dat na de vrijspraak en de afwikkeling van de formaliteiten ten aanzien van het ontslag uit strafrechtelijke detentie, de vreemdeling op 21 augustus 1998 te 17.00 uur is overgenomen door de Vreemdelingendienst, waarna de vreemdeling is staande gehouden ex artikel 19, eerste lid, Vw en om 17.10 uur is opgehouden ex artikel 19, tweede lid, Vw. Inbewaringstelling heeft die dag om 22.00 uur plaatsgevonden. Op grond van artikel 19, eerste lid, Vw mag een vreemdeling onder omstandigheden als daar vermeld, worden staande gehouden ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet aanstonds kan worden vastgesteld dan wel indien niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in Nederland te verblijven, mag hij ingevolge het tweede lid van artikel 19 Vw worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor, alwaar hij niet langer dan zes uur mag worden opgehouden. Gedurende de ophouding kan onderzoek daarnaar plaatsvinden. Niet betwist is dat in het onderhavige geval de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling reeds bij de staande houding ex artikel 19, eerste lid, Vw bekend waren en dat gedurende de ophoudingsperiode ex artikel 19, tweede lid, Vw geen onderzoek heeft plaatsgevonden. In geschil is of verweerder in deze situatie toepassing heeft kunnen geven aan artikel 19 Vw. Hoewel bij letterlijke lezing artikel 19 Vw daartoe niet de mogelijkheid biedt, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke toepassing van dit artikel met zich brengt dat ook in de situatie dat de identiteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bekend zijn gerechtvaardigd kan zijn teneinde de met het oog op een inbew