Rechtspraak 1998-06-16
ECLI:NL:RBSGR:1998:AA3432
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht Tweede kamer, meervoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr.: AWB 97/5163 BELEI Inzake Stichting Djazzex Modern-Jazz Dance Company, gevestigd te 's- Gravenhage, eiseres, tegen de Staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit. Het besluit van verweerder van 24 maart 1997, kenmerk FJZ/BZC-96/8876 U. 2. Ontstaan en loop van het geschil. Eiseres is een dansgezelschap, dat zich richt op de (ontwikkeling van de) moderne jazzdans. Aan eiseres was voor de periode 1993-1996 op basis van het tweede Kunstenplan 1993-1996 een meerjarige instellingssubsidie verleend. Op 28 december 1995 heeft eiseres op basis van haar beleidsplan 1997-2000 een aanvraag ingediend voor een meerjarige instellingssubsidie in het kader van de Cultuurnota 1997-2000 ("Pantser of Ruggegraat") voor de periode 1997-2000. Deze aanvraag is op 18 januari 1996 voor advies naar de Raad voor cultuur gezonden. Op 22 mei 1996 heeft de Raad voor cultuur het advies Cultuurnota 1997-2000 ("Een cultuur van verandering") uitgebracht. In deel II Dans is ten aanzien van Djazzex geadviseerd dit dansgezelschap niet langer structureel te blijven subsidiëren. Op 29 mei 1996 heeft eiseres een reactie op het advies van de Raad voor cultuur ingezonden, waarin zij gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij meent wel voor subsidie in aanmerking te komen. In de Aanvullingen en correcties op "Een cultuur van verandering, advies Cultuurnota 1997-2000", d.d. 19 juli 1996, heeft de Raad voor cultuur ten aanzien van de reactie van Djazzex te kennen gegeven hierin geen aanleiding te zien het advies bij te stellen. Bij besluit van 17 september 1996 heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres overeenkomstig het advies van de Raad voor cultuur afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 oktober 1996 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend, naar aanleiding waarvan zij op 5 februari 1997 is gehoord door de Commissie voor de bezwaarschriften van het Ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar overeenkomstig het door de Commissie voor de bezwaarschriften uitgebrachte advies ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 mei 1997 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Verweerder heeft op 12 juni 1997 een verweerschrift ingediend. Het geschil is op 2 september 1997 ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Namens eiseres verschenen aldaar mevrouw R.B.D. Schim van der Loeff-Snijder (voorzitter van het stichtingsbestuur) en G. van der Hoff (artistiek directeur), bijgestaan door mevrouw mr H. Klinckhamers, advocaat te Amsterdam. Verweerder liet zich vertegenwoordigen door mevrouw drs. M.A. Rutters en J.P. Lammerts, beiden werkzaam bij de Directie Kunsten van verweerders ministerie. Bij beslissing van 26 september 1997 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend en bepaald dat aan de Raad voor cultuur met toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb zal worden verzocht de onder hem berustende, op de subsidiëring van eiseres betrekking hebbende stukken in te zenden. Bij brief van 22 oktober 1997 heeft de Raad voor cultuur aan dit verzoek voldaan, waarbij tevens is verzocht om met toepassing van artikel 8:45, tweede lid, tweede volzin, juncto artikel 8:29, eerste lid, van de Awb te bepalen dat uitsluitend de rechtbank kennis neemt van een aantal (nader aangeduide passages) van de ingezonden stukken. Ter terechtzitting van 18 december 1997 is de behandeling van het geschil voortgezet. Namens eiseres zijn aldaar verschenen mevrouw S. Tulp en G. van der Hoff, bijgestaan door mevrouw mr H. Klinckhamers, en namens verweerder verschenen zijn gemachtigden mevrouw drs. M.A. Rutters en J.P. Lammerts. Tevens zijn aldaar namens de Raad voor cultuur als getuige gehoord mr L. Lieuwes en mr drs. J.A.C. van der Linden, beiden secretaris Met ingang van 1 januari 1997 is deze bepaling vervallen en is op de advisering door de Raad het bepaalde in artikel 29 van de Kaderwet adviescolleges van toepassing, welke bepaling verweerder eveneens de mogelijkheid biedt om de voorbereidende stukken van de Raad voor cultuur op te vragen. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de Raad het wettelijk adviesorgaan is van de regering inzake het cultuurbeleid en dat hij tevens vaste adviseur van verweerder is ter zake van individuele subsidieaanvragen, als hier in geding. In artikel 3:9 van de Awb is bepaald dat, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft met een beroep op laatstgenoemde bepaling aangevoerd dat, kort gezegd, verweerder zich voorafgaande aan zijn besluitvorming onvoldoende heeft vergewist van de zorgvuldigheid waarmee de door hem ingeschakelde adviseur, de Raad voor cultuur, zijn advies heeft voorbereid. Verweerder heeft, aldus eiseres, in de motivering van het bestreden besluit dan ook niet mogen volstaan met een enkele verwijzing naar het advies van de Raad en heeft bij een zorgvuldige belangenafweging niet in redelijkheid tot de onderhavige besluitvorming kunnen komen. Verweerder heeft daar tegenover, samengevat, aangevoerd dat hij terecht - gegeven de terughoudendheid die de overheid moet betrachten bij de artistiek-inhoudelijke beoordeling van cultuuruitingen - groot gewicht heeft toegekend, en ook heeft mogen toekennen, aan het wettelijk voorgeschreven advies van de Raad voor cultuur en dat hij er vanuit kon en mocht gaan dat de Raad op voldoende zorgvuldige wijze en met voldoende kennis van zaken tot zijn advies is gekomen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3:9 van de Awb (MvA II, PG Awb I, p.218), waaruit kan worden afgeleid dat een bestuursorgaan meer zal mogen afgaan op de expertise van een adviesorgaan, naarmate dit adviesorgaan meer ervaring heeft met het uitbrengen van adviezen over een bepaald type besluiten. De rechtbank stelt voorop dat het op zich alleszins aanvaardbaar is dat verweerder bij zijn oordeelsvorming over aanvragen om subsidie in verband met cultuuruitingen in beginsel afgaat op de expertise van de Raad. De Raad is immers in feite een voortzetting van de voormalige Raad voor de Kunst, welk adviesorgaan, waarin deskundigen op verschillende terreinen van de kunsten zitting hadden, een ruime ervaring had met advisering als hier aan de orde. De rechtbank respecteert verder verweerders oordeel dat hij zich bij de artistiek-inhoudelijke beoordeling van afzonderlijke cultuuruitingen zeer terughoudend dient op te stellen teneinde cultuur-politieke discussies te voorkomen. Het is ook juist daarom dat verweerder zich laat adviseren door de Raad, waarin externe deskundigen zitting hebben, die volgens een speciale benoemingsprocedure worden benoemd. Het een en ander ontslaat verweerder evenwel niet van de ingevolge artikel 3:9 van de Awb op hem rustende verplichting zelfstandig onderzoek te doen naar de wijze van de totstandkoming van een aan hem door de Raad uitgebracht advies, indien daartoe aanleiding bestaat. Juist met het oog op die controleverplichting is verweerder ook door de wetgever de mogelijkheid gegeven om de voorbereidende stukken bij de Raad op te vragen. Het gaat te ver om aan te nemen dat daarvoor alleen dan aanleiding zou kunnen bestaan, indien van de zijde van de aanvrager een deskundig tegenrapport zou zijn overgelegd, waarmee de inhoud van het in het advies neergelegde artistiek-inhoudelijke oordeel zou zijn weerlegd. Overigens heeft eiseres reeds in de fase voorafgaande aan het primaire besluit een groot aantal verklaringen overgelegd vanuit de danswereld, zoals van Jiri Kylian, Hans Van Manen, Rudi Van Dantzig, Toer Van Schaijk, Nils Christe en van directies van acad Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in een geval, zoals het onderhavige, waarin door de subsidieaanvrager concrete, duidelijk onderbouwde bezwaren zijn geuit juist op het punt van het voorstellingsbezoek, verweerder niet had mogen volstaan met er zondermeer op te vertrouwen dat ook in het geval van eiseres haar artistieke ontwikkeling "op de voet is gevolgd" door de Raad/de commissieleden zoals bedoeld in het deel Algemeen. De terughoudende toetsing die verweerder op het punt van de artistiek- inhoudelijke beoordeling past, staat er niet aan in de weg dat verweerder zich ten aanzien van de totstandkoming van het advies minder terughoudend opstelt. Juist nu door verweerder ook zelf is aangegeven dat het advies moet worden gezien als een verdeelplan, waarin aan de hand van de door de Raad aangegeven prioriteitenstelling vele tientallen miljoenen guldens worden verdeeld, mag en moet in gevallen, waarin daartoe aanleiding bestaat, van de Raad, hoe deskundig ook, worden gevraagd inzichtelijk te maken op welke wijze en met name op basis van welke gegevens een advies in een concreet geval tot stand is gekomen. De wetgever heeft verweerder ook uitdrukkelijk daartoe de mogelijkheid gegeven. Gelet op hetgeen door eiseres in de bezwaarfase was aangevoerd, had verweerder in dit geval zo'n situatie aanwezig moeten achten, waarin hij zich ervan had dienen te vergewissen dat het door de Raad uitgevoerde onderzoek op zorgvuldig wijze had plaatsgevonden. De rechtbank heeft in dit geval aanleiding gezien om te doen hetgeen verweerder had moeten doen en na heropening van het onderzoek de Raad om inlichtingen gevraagd. Ook de uitkomst van dit nadere onderzoek heeft evenwel onvoldoende inzichtelijk gemaakt op grond van welke informatie het advies inzake eiseres is gebaseerd. De schriftelijke, deels niet openbare stukken geven daartoe onvoldoende inzicht; zo ontbreekt bijvoorbeeld iedere verslaglegging over het jaar 1995. Een mogelijke verklaring hiervoor zou gevonden kunnen worden in het feit dat in dit jaar de overgang van de Raad voor de kunst naar de Raad voor cultuur heeft plaatsgevonden, maar hiermee heeft de Raad nog niet inzichtelijk gemaakt dat zij de artistieke ontwikkeling van eiseres ook in dat jaar "op de voet heeft gevolgd". Ook de getuigen die namens de Raad op de zitting een verklaring hebben afgelegd zijn er steeds slechts veronderstellenderwijs van uitgegaan dat de in het algemeen aangegeven procedure ook in het geval van eiseres is gevolgd. Met name op het punt van het voorstellingsbezoek is niet duidelijk gemaakt dat de door eiseres geuite bezwaren, die worden ondersteund door het feit dat het advies is gemotiveerd met een verwijzing naar het optreden met het Willem Breuker Kollektief, ongegrond zijn. Ook uit het door de Raad overgelegde schema blijkt niet duidelijk welke voorstellingen er in de eerdere subsidieperiode zijn bezocht. Naar het oordeel van de rechtbank kan en mag van de Raad worden verwacht dat er interne verslaglegging plaatsvindt van het voorstellingsbezoek, juist om procedures zoals de onderhavige te voorkomen, nu immers ten aanzien van instellingen die reeds over een meerjarige subsidie beschikten bij de beoordeling van de nieuwe subsidieaanvraag het zwaartepunt bij het voorstellingsbezoek ligt. Niet kan worden volgehouden dat een zodanige verslaglegging op onoverkomelijke problemen voor de commissieleden zou stuiten. Bovendien kunnen deze gegevens openbaar worden gemaakt zonder dat deze informatie tot een bepaalde persoon kan worden herleid c.q. de vrije interne gedachtenwisseling, die binnen de commissie moet kunnen plaatsvinden, anderszins wordt belemmerd. Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:9 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep gegrond is. Met het voorgaande staat vast dat het bestreden besluit naar de wijze van totstandkoming gebreken vertoont, waarmee evenwel nog niet kan worden gezegd dat dit besluit naar zijn in