Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-22
ECLI:NL:RBROT:2026:9998
Rechtbank Rotterdam Team familie Reg.nrs.: C/10/723577 / KG ZA 26-768 (voorlopige voorziening) C/10/723578 / FA RK 26-5911 (beroep tegen de oplegging) C/10/723580 / FA RK 26-5912 (beroep tegen de verlenging) Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen [verzoeker] , verzoeker, wonende te [postcode] [woonplaats] , [straatnaam] , gemachtigde mr. M. Kaplan. en de burgemeester van de gemeente Voorne aan Zee , verweerder, gemachtigde mr. M. van Helvoort, in welke zaken belanghebbende is: [achterblijfster] , partner van verzoeker, wonende te [postcode] [woonplaats] , [straatnaam] , hierna achterblijfster. 1 Ontstaan en loop van de procedure 1.1. Bij besluit van 2 juli 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker. 1.2. Bij besluit van 9 juli 2026 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 30 juli 2026. 1.3. Bij brief van 20 juli 2026, ingekomen op 21 juli 2026, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Aanwezig waren: verzoeker en zijn gemachtigde. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen. Achterblijfster is niet verschenen. 2 Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. 3 Overwegingen Wettelijk kader 3.1. De rechtbank neemt de relevante wettelijke bepalingen op in de bijlage. Besluit oplegging huisverbod 3.2. Verzoeker heeft tijdens de zitting het beroep tegen het besluit tot oplegging van het huisverbod ingetrokken. Daarmee staat de rechtmatigheid van de oplegging van het huisverbod en het gevaar dat daaraan ten grondslag lag vast. Weergave bestreden verlengingsbesluit, verzoek en beroep 3.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijfster nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen. 3.4. Het verzoek strekt ertoe de het bestreden besluit te vernietigen, al dan niet gedeeltelijk te schorsen en verweerder te veroordelen in de proceskosten. 3.5. Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten. Kortsluiten 3.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep. Toetsing ex tunc 3.7. Verzoeker voert aan dat de verlenging van het huisverbod ten onrechte heeft plaatsgevonden en een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden. 3.8. De rechter beoordeelt vol of het gevaar (nog) blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene daaraan blijft meewerken zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als nog blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. 3.9. Gebleken is dat ten tijde van het verlengingsbesluit nog geen partnergesprek had plaatsgevonden en er nog geen veiligheidsafspraken waren gemaakt. Immers, verzoeker heeft tijdens de zitting zelf verklaard dat het eerste partnergesprek plaatsvond op 14 juli 2026, dus na het bestreden besluit. Dit beide (het houden van een partnergesprek en het maken van veiligheidsafspraken) is niet van de grond gekomen op het momen