Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-23
ECLI:NL:RBROT:2026:9981
Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2] [nummer 3] – [nummer 4] uitspraakdatum: 23 juli 2026 [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] , verzoekers. 1 De procedure Verzoekers hebben op 9 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 10 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 16 juli 2026. Ter zitting van 16 juli 2026 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; mevrouw [naam] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening); Verzoekster is eveneens verschenen. Omdat verzoekers hun minderjarige kinderen hebben meegenomen naar de zitting omdat zij geen oppas hadden, heeft verzoekster aangeboden op de gang te wachten met haar kinderen. Verzoeker heeft namens verzoekster het woord gevoerd. Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders, de gemachtigde van de stichting Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster), heeft namens verweerster geen verweer gevoerd, maar enkel bij e-mailbericht van 15 juli 2026 laten weten dat er namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag. 2 Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen. Verzoekers zijn in de betalingsproblemen gekomen door de eigen onderneming van verzoeker. Verzoeker heeft zijn eigen onderneming vorig jaar gestaakt. Het gezinsinkomen bestaat thans uit het inkomen uit dienstbetrekking van verzoekster, een aanvullende PW-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft verklaard dat het inkomen nu stabiel is. Verzoekers betalen sinds geruime tijd de huur weer op tijd. De huur voor de maand juli 2026 is voldaan op 22 juni 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de klantregisseur bezig is met het verzamelen van gegevens. De schuldenlijst is nog niet helemaal compleet. Zodra de klantregisseur alle gegevens heeft verzameld, zal de schuldregeling worden opgestart. 3 Het verweer Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten. 4 De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 6 mei 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 14 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwo