Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-31
ECLI:NL:RBROT:2026:9886
Wabo. Omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 13 woningen. Naar het oordeel van de rechtbank is, ongeacht of sprake is van een weg, dan wel een openbare weg in de zin van de Wegenwet, al geen sprake van openbare parkeerplaatsen bij de Boomgaardkerk omdat deze niet als zodanig zijn ingetekend op de plankaart en gelegen zijn op privéterrein. Het standpunt van eiser dat de gestelde openbare parkeerplaatsen moeten worden gecompenseerd, volgt de rechtbank dan ook niet. Verder heeft het college zich gemotiveerd op het standpunt kunnen stellen dat de nieuwe situatie ten aanzien van in- en uitrijdend verkeer geen verslechtering inhoudt. Eiser heeft zijn vrees voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege woongeluiden van de nieuwe woningen, inkijk in zijn woning en inperking van zichtlijnen en uitzicht niet aannemelijk gemaakt dat die aantasting zodanig is dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11232 uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats 1] , eiser (gemachtigde: mr. R.H. de Kamper), en het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht (gemachtigde: mr. H.I.M. Dierkx). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [handelsonderneming] B.V. uit [plaats 2] (vergunninghoudster) (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van 13 woningen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 13 woningen aan de [perceel 1] in Heerjansdam. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam] , en de gemachtigde van vergunninghoudster. Overgangsrecht Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 4. Vergunninghoudster wil een terrein aan de [perceel 1] [perceel 1] in Heerjansdam herontwikkelen. Zij wil hier in totaal 13 nieuwe woningen bouwen, namelijk [perceel 1] 5. Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, planologisch strijdig gebruik, het aanleggen of veranderen van een weg, het aanleggen of veranderen van een uitrit en kappen. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Heerjansdam en bedrijventerrein Gors” (het bestemmingsplan). De gronden hebben, voor zover hier van belang, de bestemming “Maatschappelijk”. Het bouwplan is in strijd met de planregels van het bestemmingsplan, omdat artikel 8.1.1 van de planregels binnen de bestemming “Maatschappelijk” geen woningen mogelijk maakt en omdat in strijd met artikel 8.2.1, onder a, van de planregels buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Hiervoor is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3º, van de Wabo een afwijking van het bestemmingsplan vergund. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemeenteraad van Zwijndrecht heeft een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) gegeven. 6. Eiser woont aan de [adres 1] in Heerjansdam. Zijn perceel ligt direct naast het terrein waarop de nieuwe woningen worden gebouwd. Eiser bestrijdt het bestreden besluit alleen voor zover daarmee een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik is verleend. Zijn beroepsgronden gaan over de aantasting van zijn woon- en leefklimaat en parkeren. Het beroep richt zich niet tegen de andere onderdelen van het bestreden besluit. Toetsingskader 7. In artikel 2.10 van de Wabo is bepaald op welke gronden een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden geweigerd. Een daarvan is dat de activiteit in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voor de activiteit planologisch strijdig gebruik is een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan vergund. Uit artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo volgt dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing moet bevatten. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 7.1. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, zoals die vóór 1 januari 2024 luidden, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Parkeren 8. Eiser stelt dat het college ten aanzien van het aspect parkeren is uitgegaan van een onjuist toetsingskader. Volgens hem heeft het college ten onrechte niet getoetst aan artikel 4.10.1 van de planregels van het “Parapluplan terrassen, evenementen, standplaatsen en parkeren” (het parapluplan) en is de omgevingsvergunning in strijd met dat artikel verleend. 9. Het parapluplan was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet vastgesteld, zodat het al om die reden niet als toetsingskader heeft kunnen dienen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt ten aanzien van het parkeren verwezen naar het gemeentelijk beleid. Het college heeft op zitting desgevraagd toegelicht dat omdat sprake is van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik, in dit geval via de goede ruimtelijke ordening is getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid, vervat in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) Zwijndrecht uit 2022. 10. Volgens het college is er een parkeerbehoefte van 18,3 parkeerplaatsen voor de nieuwe woningen. Er worden 19 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarvan worden aan de [adres 2] extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de Dorpsstraat worden twee inpandige parkeerplaatsen per woning gerealiseerd, de overige 3 parkeerplaatsen komen te liggen op het eigen terrein in het middengebied. De berekening van de parkeerbehoefte is niet in geschil. Wel in geschil is of het realiseren van het benodigde aantal parkeerplaatsen uitvoerbaar is. 11. Eiser is het niet eens met de manier waarop de parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In de eerste plaats stelt hij dat het huidige openbare parkeerterrein bij de [naam kerk] zal verdwijnen ten behoeve van de nieuwe woningen. Hierdoor verdwijnen openbare parkeerplaatsen en daar komen slechts enkele particuliere parkeerplaatsen voor de bewoners voor terug. Het college heeft de parkeerplaatsen ten onrechte niet als openbaar aangemerkt en ten onrechte het standpunt ingenomen dat deze parkeerplaatsen niet gecompenseerd hoeven te worden. Eiser stelt dat een weg op grond van artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet openbaar is wanneer hij gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest, behalve als gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse kenbaar is gemaakt dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. Volgens eiser had het college moeten onderzoeken of er in de 30 jaar sinds de ingebruikname van de parkeerplaats op het kerkterrein in 1969 bordjes hebben gehangen die de termijn dat de parkeerplaats voor een ieder vrij toegankelijk is geweest hebben doorbroken. Eiser stelt dat zulke bordjes pas later zijn geplaatst. Volgens eiser is het terrein daarom een openbare weg in de zin van de Wegenwet en moeten de parkeerplaatsen op het terrein worden meegeteld als bestaande openbare parkeerplaatsen. 11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat door het bouwplan geen openbare parkeerplaatsen verdwijnen. De parkeerplaatsen op het terrein van de [naam kerk] zijn particuliere parkeerplaatsen. De eigenaar staat toe dat derden hier op weekdagen kort parkeren, maar dat maakt niet dat het terrein kan worden beschouwd als openbare parkeergelegenheid. Mogelijk is dit deel van het kerkterrein (de geasfalteerde strook) aan te merken als openbaar toegankelijk in de zin van de Wegenverkeerswet, maar het is volgens het college geen openbare weg in de zin van de Wegenwet. Het parkeerterrein is volgens het college onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling geen weg in de zin van die wet en eiser heeft met de foto’s en verklaringen die bij het beroepschrift zijn gevoegd ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een openbare weg in de zin van de Wegenwet. Uit de foto’s blijkt niet dat er niet steeds een bord heeft gestaan dat het gebruik van het parkeerterrein beperkt. Het college stelt dat het kerkbestuur het gebruik van het eigen parkeerterrein steeds heeft beperkt en daarmee zijn rechten heeft beschermd. Volgens het college is het parkeerterrein ook niet gedurende 30 jaar voor een ieder toegankelijk geweest. Het parkeerterrein in zijn huidige omvang kon pas in gebruik worden genomen na de sloop van een aantal woningen, waartoe in 1966 is besloten. In 2002 is het huidige bord met de tekst “Eigen terrein, kort parkeren toegestaan op weekdagen” geplaatst. Daarvóór was een bord aanwezig dat het gebruik van het terrein voor parkeren beperkte tot personenvoertuigen, dat in ieder geval in 1986 al aanwezig was. De termijn van 30 jaar is door de plaatsing van deze borden gestuit. 11.2. Niet in geschil is dat als gevolg van het bouwplan in de toekomst niet meer geparkeerd kan worden op het kerkterrein. De parkeerplaatsen bij de [naam kerk] zijn niet als zodanig ingetekend op de plankaart en gelegen op privéterrein, waarbij de eigenaar onverplicht toestaat dat derden daar op weekdagen ook kortdurend parkeren. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank al geen sprake van openbare parkeerplaatsen, ongeacht of sprake is van een weg, dan wel een openbare weg in de zin van de Wegenwet. Dat het terrein feitelijk wel mede wordt gebruikt voor parkeren door derden, betekent niet dat die parkeerplaatsen openbaar zijn. Het standpunt van eiser dat de gestelde openbare parkeerplaatsen ook moeten worden gecompenseerd, volgt de rechtbank dan ook niet. 12. Eiser betoogt daarnaast dat de extra parkeerplaatsen aan de [adres 3] niet realistisch zijn. Volgens hem is er geen toestemming van de eigenaar van de [adres 3] om gebruik te maken van het kadastrale perceel van de Perenhof. De ruimte onder de galerijen is niet beschikbaar en er staan ook paaltjes. Eiser stelt dat de straat, inclusief de parkeervakken, ten minste 16 m breed moet zijn om aan beide zijden haaks te kunnen parkeren. Volgens de CROW-richtlijnen en NEN-norm 2443 moet de rijbaan bij haaks parkeren een breedte hebben van 6 m. Volgens eiser is de afstand op de tekening kleiner. Volgens eiser is er daarom niet genoeg ruimte beschikbaar voor de beoogde parkeerplaatsen aan twee kanten van de weg. 12.1. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij met de [adres 3] doelt op het gebouw [naam gebouw] aan de [adres 3] . Het college stelt dat geen toestemming nodig is van de eigenaar van het gebouw. De kadastrale perceelsgrens ligt aan de zijde van de [adres 3] strak om het bouwblok heen en de openbare weg loopt door tot aan de gevel. Voor een herinrichting van de [adres 3] is daarom geen toestemming nodig van particuliere grondeigenaren. De aan te leggen parkeervakken komen op ongeveer 2 m uit de gevel te liggen. Volgens het college blijkt uit de tekeningen dat het terrein diep genoeg is voor de herinrichting van de [adres 3] . Voor zover de breedte tekortschiet, komen de parkeervakken aan de noordkant van de [adres 3] op het terrein van vergunninghoudster te liggen. Voor zover eiser stelt dat de maten van de tekeningen niet kloppen, heeft hij dat volgens het college niet onderbouwd. Het college heeft bij de beoordeling van de stukken geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat de tekeningen onjuist zijn. 12.2. In de integrale motivatie is beschreven dat de [adres 3] om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren opnieuw wordt ingericht. De huidige rijbaan aan de noordkant wordt omgewisseld met de strook parkeerplaatsen aan de zuidkant, waardoor er aan de noordkant van de weg 12 parkeerplaatsen voor haaks parkeren kunnen worden aangelegd. 12.3. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college terecht dat geen toestemming nodig is van de eigenaar van het gebouw [naam gebouw] aan de [adres 3] om de parkeerplaatsen aan te leggen, aangezien de kadastrale perceelsgrens strak om het bouwblok heenloopt en de openbare ruimte direct aan de gevel grenst. De rechtbank deelt het standpunt van eiser dat er onvoldoende ruimte beschikbaar is om de parkeervakken aan twee kanten van de [adres 3] aan te leggen niet. Uit de tekeningen bij de aanvraag blijkt dat het terrein diep genoeg is om de benodigde parkeervakken aan beide zijden aan te leggen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het kadastrale perceel van de weg ongeveer 11m breed is en dat de parkeervakken in de nieuwe situatie op het terrein van vergunninghoudster komen te liggen. Op de tekeningen is de galerij van het gebouw ingetekend, maar onder die galerij is ruimte om te parkeren. Kliko’s en containers en dergelijke passen dan nog op de stoep zodat dat evenmin een belemmering in ruimte oplevert. Voor zover eiser stelt dat er geen 12, maar 11 parkeerplaatsen zijn ingetekend, mist dit betoog feitelijke grondslag, nu die stelling niet in overeenstemming is met de tekeningen bij de aanvraag. 13. Eiser voert aan dat wordt uitgegaan van een voorziening voor deelauto’s. In de omgevingsvergunning is echter ten onrechte geen voorschrift hierover opgenomen. Er kan daarom geen deelautocorrectie worden toegepast. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1383. 13.1. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken van “deelauto’s”. Volgens het college is die term verwarrend en wordt er alleen mee bedoeld dat in het middengebied – in overeenstemming met de parkeerkencijfers voor appartementen – drie parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor vijf appartementen. Deze parkeerplaatsen worden gedeeld door de bewoners van de appartementen. In andere gevallen worden deelauto’s soms ingezet als maatregel om minder parkeerplaatsen te realiseren dan op basis van de parkeereisen noodzakelijk is, maar dat is hier volgens het college niet aan de orde. Een vergunningvoorschrift over deelauto’s is daarom niet nodig. 13.2. De rechtbank is in navolging van het college van oordeel dat niet is bedoeld om vergunning te verlenen voor een voorziening voor deelauto’s in de door eiser bedoelde zin, zodat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het onnodig is om over dit onderwerp een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college de gevolgen voor het woon- en leefklimaat voldoende in zijn belangenafweging betrokken? 14. Eiser voert aan dat het college zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen bij het nemen van het bestreden besluit. Hij wijst op hinder door af- en aanrijdend verkeer, woongeluiden, aantasting van zichtlijnen, inkijk in zijn woning en aantasting van het uitzicht. Volgens eiser heeft het college niet duidelijk gemaakt waarom de belangen van vergunninghoudster zwaarder wegen dan zijn belangen. 14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de nieuwe situatie ten aanzien van in- en uitrijdend verkeer geen verslechtering inhoudt, omdat er in de bestaande situatie al in- en uitrijdend verkeer voor het parkeerterrein van de kerk en het perceel van [perceel 2] langs de woning van eiser rijdt. De te realiseren drie parkeerplaatsen op het middenterrein worden ontsloten via het voetgangerspad tussen de [adres 4] en de [adres 3] , dat langs de woning van eiser loopt. Deze strook heeft in het bestemmingsplan de bestemming “Verkeer-verblijfsgebied”, zodat het voorgenomen gebruik in de bestaande situatie al is toegestaan. In zoverre is dus ook geen sprake van een verslechtering. Het verkeer naar de zes woningen aan de [adres 3] komt niet langs de woning van eiser, zodat dat verkeer in zoverre buiten beschouwing kan worden gelaten. 14.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om het standpunt van het college in zoverre niet te volgen. Eiser heeft met zijn stelling dat hij vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege woongeluiden van de nieuwe woningen, inkijk in zijn woning en een inperking van zichtlijnen en uitzicht evenmin aannemelijk gemaakt dat die aantasting zodanig is dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Daarbij acht de rechtbank met het college mede van belang dat de zes woningen aan de [adres 3] op grotere afstand van de woning van eiser liggen zodat niet aannemelijk is dat die woningen een negatieve invloed hebben op eisers woon- en leefklimaat. Daarnaast woont eiser in de dorpskern van Heerjansdam en is inherent aan die locatie dat er enige vorm van hinder kan optreden. Volgens vaste rechtspraak bestaat bovendien geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. 16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzitter, en mr. V. van Dorst en mr. T.M.J. Smits, leden, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, (…) c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, (…) Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet; b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet; c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm. 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; (…) Wegenwet Artikel 1 1. Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen. 2. Onder wegen worden in deze wet mede verstaan: I. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik; II. bruggen. Artikel 4 1. Een weg is openbaar: I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest; II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap; III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven. 2. Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. 3. Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen. Planregels bestemmingsplan “Heerjansdam en bedrijventerrein Gors” Artikel 8 Maatschappelijk 8.1 Bestemmingsomschrijving 8.1.1 Algemeen De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. zorginstellingen; c. nutsvoorzieningen; d. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm', tevens voor een geluidwerende voorziening; e. ter plaatse van de aanduiding 'sport', tevens voor sporthallen en sportverenigingsleven; f. ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin', uitsluitend voor volkstuinen en kassen met bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, erven en verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - categorie B', tevens voor horecabedrijven van categorieën A en B zoals opgenomen in de Lijst van Horeca-activiteiten; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - scouting', uitsluitend voor een scoutingvereniging, met dien verstande dat het verenigingsgebouw tevens gebruikt mag worden ten behoeve van de volkstuinen zoals genoemd onder f.; i. de bescherming en de veiligstelling van een rijksmonument, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument'; j. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, verhardingen, waterhuishoudelijke voorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen met bijbehorende hekwerken, parkeer- en verkeersvoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, tuinen en erven. 8.2 Bouwregels Op deze gronden mag ten behoeve van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: 8.2.1 Gebouwen, inclusief bijbehorende bouwwerken a. gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' danwel 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' opgenomen hoogte; c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' danwel 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' opgenomen hoogte; d. het bebouwingspercentage per bouwperceel bedraagt ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven percentage; indien geen percentage is aangegeven bedraagt het bebouwingspercentage 100%; e. in afwijking van het gestelde onder b. tot en met d., mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - scouting' binnen het bouwvlak een verenigingsgebouw met een oppervlak van ten hoogste 285 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 3,5 meter worden gebouwd. 8.4 Specifieke gebruiksregels 8.4.2 Parkeren/parkeernormen a. Bij het verwezenlijken van respectievelijk het gebruiken van gronden in overeenstemming met de bestemming 'Maatschappelijk' respectievelijk de functies die op de voor deze bestemming aangewezen gronden op grond van lid 8.1 zijn toegestaan, dient binnen het plangebied te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het Parkeerbeleidsplan Zwijndrecht (2 april 2009), met dien verstande dat in geval van nieuwbouw van een gebouw, uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid dient te worden voorzien. b. Indien het onder a bedoelde Parkeerbeleidsplan gedurende de planperiode wordt gewijzigd, is het nieuwe Parkeerbeleidsplan van toepassing. 8.5 Afwijken van de gebruiksregels 8.5.1 Parkeren/parkeernormen a. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.4.2: 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien. b. Afwijken van de regels, als bedoeld onder a. is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de parkeersituatie in de openbare ruimte; 2. het woon- en leefklimaat. Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo. Artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo. Artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo. Artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.