Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-28
ECLI:NL:RBROT:2026:9870
Verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep tegen de last onder dwangsom wegens het in strijd met het omgevingsplan bouwen van een schutting door verzoeker bij zijn woning. Verzoeker is het hier niet mee eens. Verzoek is afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een overtreding. De erfafscheiding is niet vergunningvrij. Dat betekent dat het college kan handhaven. Verder vormen de door verzoeker aangedragen omstandigheden geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had behoren af te zien van handhaving. Ook de gronden die zien op het invorderingsbesluit slagen niet. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/5114 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. K. Mulder), en het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop 1. Het college heeft met het besluit van 29 oktober 2025 verzoeker gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) te beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft een hekwerk in de tuin van zijn woning aan de [perceel 1] (het perceel) gebouwd dat hoger is dan één meter. Met het besluit van 11 december 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd. Met het besluit van 9 maart 2026 heeft het college € 4000,- ingevorderd. 2. Met het bestreden besluit van 13 mei 2026 op de bezwaren van verzoeker is het college onder aanvullende motivering van het besluit van 29 oktober 2025 bij dat besluit en het besluit van 9 maart 2026 gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 4. Het college betoogt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft nu verzoeker aanvoert dat hij dreigt kosten te maken. Op grond van vaste rechtspraak kan een financieel belang niet worden aangemerkt als voldoende spoedeisend om een voorlopige voorziening te treffen. Ook is niet gebleken dat verzoeker in een financiële noodsituatie komt te verkeren. 5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek. Verzoekers belang bestaat niet enkel uit het maken van kosten, maar ook uit het verwijderen van de palen en (de rest van) de schutting. Totstandkoming van het besluit 6. Verzoeker heeft een schutting gebouwd aan de westzijde van zijn woning. De woning betreft een vrijstaande woning gelegen op de hoek van de straten [perceel 1] . De woning grenst aan twee zijden aan het openbaar toegankelijk gebied. De zuidelijke korte zijde grenst aan de [perceel 1] -akker en de westelijke lange zijde grenst aan de Smithoekse Baan. 7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Barendrecht (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Woongebied West” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft de bestemmingen “Wonen” en “Tuin”. De erfafscheiding is gelegen in de bestemming “Tuin”. 8. Een toezichthouder van het college constateerde op 26 augustus 2025 en 2 oktober 2025 (de bouw van) een hekwerk van meer dan één meter hoog zonder dat daarvoor de noodzakelijke omgevingsvergunning is verleend. Naar aanleiding hiervan heeft het college een waarschuwingsbrief en uiteindelijk een voornemen last onder dwangsom verstuurd aan verzoeker. Vervolgens is op 29 oktober 2025 het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom verstuurd aan verzoeker. Het college heeft op 11 december 2025 de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de oorspronkelijke begunstigingstermijn, omdat verzoeker had aangetoond dat hij niet binnen de gegeven termijn kon voldoen aan de last. Op 14 januari 2026 constateerde een toezichthouder van het college dat het hekwerk nog steeds aanwezig was. Op 27 januari 2026 en 23 februari 2026 constateerde de toezichthouder dat de hekwerken op het perceel gedeeltelijk zijn verlaagd naar één meter. Verzoeker heeft een deel van de planken tussen de palen verwijderd. Op het achterste deel van het perceel is de erfafscheiding echter nog steeds twee meter. De palen zijn 1,82 tot 1,93 meter hoog en de poort is 1,81 meter hoog. Volgens het college is daarmee na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan de last voldaan, zodat van rechtswege dwangsommen zijn verbeurd. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 9 maart 2026 hangende de bezwaarprocedure tegen de last onder dwangsom een invorderingsbesluit genomen. Op 13 mei 2026 heeft het college één besluit genomen op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking waarbij het college bij die besluiten is gebleven. 9. Het college heeft verzoeker op straffe van een dwangsom van € 1.000 per week met een maximum van € 10.000 gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow, te weten het bouwen en in stand houden van een illegale overkapping (in het besluit op bezwaar hersteld in: erfafscheiding), te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan verzoeker doen door de erfafscheiding aan te passen naar een hoogte van 1 meter of de oude toestand te herstellen door het plaatsen van een groene haag, heg of rij coniferen. Toetsingskader 10. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Is de erfafscheiding vergunningvrij? 11. Verzoeker betoogt dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden omdat de erfafscheiding vergunningvrij is voor de omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 22.36, onder b, in samenhang met artikel 22.27, onder f, van de regels van het omgevingsplan. Volgens verzoeker wordt voldaan aan onderdeel 3, van artikel 22.27, onder f. 12. Artikel 22.27, onder f, luidt: “Het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken geldt niet indien deze activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.” Artikel 2.1b, tweede lid, van de Vangnetregeling Omgevingswet luidt: “In aanvulling op artikel 22.27, onder f, onder 3°, van de bruidsschat wordt onder de lijn, bedoeld in dat onderdeel, verstaan: de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.” 13. Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding is op grond van het ter plaatse geldende omgevingsplan een vergunningsplichtige activiteit, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 22.27, onder f, van de planregels. Aan de eerste twee voorwaarden wordt in dit geval voldaan. Tussen partijen is in geschil of aan onderdeel 3 is voldaan. Met andere woorden: heeft verzoeker zijn erfafscheiding gebouwd achter de lijn die loopt langs de voorkant van het hoofdgebouw (de woning) en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen? 13.1. Daarvoor is ten eerste van belang wat onder de voorkant van het hoofdgebouw moet worden verstaan. In bijlage II bij artikel 1.1, tweede lid, van de regels van het omgevingsplan is geen beschrijving opgenomen van wat onder het begrip “voorkant” moet worden verstaan. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1725), kan het achtererfgebied worden bepaald door vast te stellen wat de voorgevel van het hoofdgebouw is. Indien er discussie ontstaat over de vraag welke gevel de voorgevel is, moet primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan of de bouwverordening is aangegeven, zoals artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt. Als ook dan nog twijfel bestaat, zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt. 13.2. In het van toepassing zijnde tijdelijk deel van het omgevingsplan is geen “voorgevelrooilijn” aangegeven. Dit betekent dat de feitelijke situatie doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag waar zich de voorgevel van de woning van verzoeker bevindt. De voorzieningenrechter zoekt evenals het college aansluiting bij het begrip voorgevel in artikel 1.88 van de planregels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond hiervan is de voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of “uitstraling” als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. Op zitting is duidelijk geworden dat partijen het in zoverre met elkaar eens zijn dat dit de zuidelijke korte kant van de woning is waarvan rechts de ontsluiting van het perceel is gelegen. De voorzieningenrechter vindt ook dat deze gevel als de voorgevel en dus de voorkant van de woning moet worden aangemerkt, ook al zit in die gevel in dit geval niet de voordeur. Het is wel de gevel aan de zijde waar het perceel is ontsloten op de openbare weg. 13.3. Vervolgens is van belang wat de lijn is die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Het college heeft hiervoor verwezen naar de toelichting bij de Bruidsschat en Vangnetregeling. Hieruit volgt volgens de voorzieningenrechter dat de lijn bij bijvoorbeeld hoekwoningen, zoals in dit geval, eerst langs de voorgevel van de woning loopt en vervolgens langs de zijgevel mee de hoek om loopt naar achteren. Dit betekent anders dan verzoeker betoogt hier niet dat die lijn vanaf de voorgevel verder doorgetrokken wordt tot aan de perceelsgrens voor zover die grenst aan openbaar gebied en dan evenwijdig loopt aan de perceelsgrens, verder naar achteren. 14. Voorgaande leidt tot de conclusie dat de schutting die aan de westzijde van het perceel is gelegen niet vergunningvrij is. Dit betekent dat er sprake is van een overtreding, namelijk het zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen van een erf- of perceelafscheiding (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow). Het college is dus bevoegd om daartegen handhavend op te treden. Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien? 15. Verzoeker betoogt dat het college had behoren af te zien van handhaving. Daartoe voert verzoeker ten eerste aan dat er concreet zicht op legalisatie is. Verzoeker meent dat het college moet motiveren waarom het geen vergunning wil verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ten tweede voert verzoeker aan dat handhaving onevenredige gevolgen voor hem heeft. Verzoeker heeft het hekwerk reeds verlaagd naar één meter. De resterende palen maken dat het om een geringe overtreding gaat. Ten derde voert verzoeker aan dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat het hekwerk tot één meter en de hoge palen waren toegestaan, omdat dit in een poging tot een minnelijke oplossing is besproken. Ten vierde voert verzoeker aan dat in vergelijkbare situaties in de buurt een hekwerk van hoger dan één meter is gerealiseerd. 16. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. 16.1. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Concreet zicht op legalisatie 17. Het college hoeft in een handhavingszaak niet te motiveren waarom het niet wil meewerken aan de vergunningverlening voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Om concreet zicht op legalisatie aan te nemen is op zijn minst vereist dat er een aanvraag is ingediend. Verzoeker heeft geen aanvraag ingediend, zodat er geen concreet zicht is op legalisatie. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat het in dit geval onevenredig bezwarend is om van hem te verlangen dat hij een legaliserende aanvraag doet. Strijd met evenredigheidsbeginsel 18. De last zelf houdt in dat verzoeker de overtreding van artikel 5,1, eerste lid, onder a, van de Ow moet beëindigen en beëindigd moet houden. De erfafscheiding bestaat uit de planken en palen. Dat verzoeker gedeeltelijk planken heeft verwijderd betekent niet dat daarmee voldaan is aan de last, reeds omdat de palen nog hoger zijn dan één meter. Dit levert geen overtreding op van geringe aard. Ook de enkele omstandigheid dat drie mannen vanuit hun auto verzoekers kinderen hebben aangesproken, wat daar van zij, vormt geen omstandigheid op grond waarvan het college had behoren af te zien van handhaving. In wat verzoeker op zitting heeft aangevoerd biedt de voorzieningenrechter verder ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat handhaving hier onevenredig is. Vertrouwensbeginsel 19. In een poging om te komen tot een minnelijke oplossing is tussen het college en verzoeker besproken dat het college zonder vergunning een aanpassing van de erfafscheiding wil toestaan in de vorm van een zwart hekwerk met planken tot één meter en tussen de bestaande palen tot 2 meter een gaas/raster met groen. Het is de voorzieningenrechter op zitting niet duidelijk geworden waarom verzoeker niet met dit voorstel akkoord is gegaan. Het voorgaande betekent volgens de voorzieningenrechter echter niet dat indien niet tot die oplossing is gekomen daaraan gerechtvaardigde verwachtingen kunnen worden ontleend voor het verdere verloop van de procedure. Wat hierover naar voren is gebracht is echt onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Gelijkheidsbeginsel 20. Zoals overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3019, is het aan degene die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om dat beroep te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie. Verzoeker heeft in het verzoek geen concrete gevallen (adressen) genoemd waarin het college niet is opgetreden tegen het in strijd met het omgevingsplan zonder omgevingsvergunning bouwen van een te hoge erfafscheiding. Op zitting zijn evenwel de (ongeadresseerde) afbeeldingen die verzoeker heeft opgenomen in het beroepschrift besproken. Ten aanzien van afbeelding 6 en 7 stelt de voorzieningenrechter vast dat dit een andere feitelijke situatie betreft, omdat het in die gevallen niet gaat om een zijerf naast het hoofdgebouw. Enkel ten aanzien van afbeelding 9 lijkt een schutting hoger dan één meter in het zijerf grenzend aan openbaar gebied te zijn geplaatst. Het college stelt terecht dat het niet te verifiëren is of het een gelijk geval is, nu niet te achterhalen is om welk adres het gaat. Daarbij komt dat het college in verweer heeft aangegeven dat het gelet op de capaciteit programmatisch handhaaft op illegale erfafscheidingen. Ter zitting heeft het college desgevraagd gesteld dat het indien het daarom wordt verzocht in andere gelijke gevallen (erfafscheiding gebouwd zonder de daartoe noodzakelijke omgevingsvergunning) evenzeer handhavend zal optreden. Invordering 21. Verzoeker betoogt dat het college had behoren af te zien van invordering, althans de dwangsom had behoren te matigen, omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Gelet op het reeds behaalde doel van handhaving van het behoud van de ruimtelijke structuur, de zeer geringe ernst van de overtreding, de inspanningen van verzoeker en het ontbreken van enig nadeel voor het college en derden leidt invordering volgens verzoeker tot onevenredige gevolgen in de zin van artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan het college van invordering had behoren af te zien. 22. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien (zie onder meer de uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:309). 23. De door verzoeker aangedragen omstandigheden maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het college van invordering had behoren af te zien dan wel de dwangsom had behoren te matigen. Conclusie en gevolgen 24. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college de handhaving kan voortzetten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Omgevingswet Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, […], tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. […]. Vangnetregeling Omgevingswet Artikel 2.1b. (aanvulling artikel 22.27 – situering vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen) […]. In aanvulling op artikel 22.27, onder f, onder 3°, van de bruidsschat wordt onder de lijn, bedoeld in dat onderdeel, verstaan: de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Omgevingsplan gemeente Barendrecht Artikel 1.1 Begripsbepalingen Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: […]; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; […]. Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: […]; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en […]. Tijdelijk deel van het omgevingsplan Woongebied West 1.88 Voorgevel De gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of 'uitstraling' als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 11.2 Bouwregels Op de in lid 11.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: 11.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan: […]; 3. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 1 meter. Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel 7.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met bijlage I en Stb. 2020, 400 en Stcrt 2024, 17658, p. 8.