Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-28
ECLI:NL:RBROT:2026:9869
Verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen de vaststelling van maatwerkvoorschriften voor geluid voor een horecabedrijf. Verzoeker is het hier niet mee eens. Verzoek is afgewezen. Gelet op de handhavingsgeschiedenis, het willen exploiteren en vergund krijgen van een categorie 4 horeca (zware horeca), waarbij dansen, versterkte muziek en versterkt stemgeluid is toegestaan en de gevolgen daarvan voor de (woon)omgeving heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid de maatwerkvoorschriften kunnen vaststellen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/5102 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2026 in de zaak tussen [naam] h.o.d.n. [handelsonderneming 1] , uit [plaats 1] , verzoeker (gemachtigde: mr. drs. P.J. Janson), en het college van burgemeester en wethouders van Maassluis , namens deze, Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR) (gemachtigde: mr. C. Khatraoui). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 20 mei 2026 heeft het college maatwerkvoorschriften voor geluid vastgesteld voor het horecabedrijf van verzoeker aan de [perceel] (het perceel). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker. 3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 4. Het college betoogt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, nu niet gebleken is dat sprake is van te lijden financieel nadeel dat zodanig groot is dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen en het bezwaar niet kan worden afgewacht, omdat verzoeker anders in onoverkomelijke problemen komt te verkeren. 5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker echter een spoedeisend belang bij zijn verzoek. Het installeren van de geluidbegrenzer brengt immers niet enkel financiële verplichtingen met zich mee, maar zoals ter zitting door verzoeker is toegelicht ook wijzigingen in de bedrijfsvoering van verzoeker. Totstandkoming van het besluit 6. Verzoeker exploiteert op het perceel het horecabedrijf [handelsonderneming 1] in [plaats 1] . Direct naast en in de omgeving van het bedrijf liggen woningen. 7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Maassluis (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Binnenstad” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft de enkelbestemming “Gemengd – 4” en de functieaanduidingen “horeca tot en met horecacategorie 3”. 8. Naar aanleiding van klachten van de omgeving over onder meer geluid heeft het college in 2025 controles uitgevoerd. Geconstateerd was dat het bedrijf versterkte muziek en stemgeluid en gelegenheid tot dansen aanbood. Verzoeker heeft deze activiteiten als houder van het bedrijf gelegaliseerd door daarvoor aanvragen in te dienen. Met het besluit van 23 april 2026 is aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit voor het wijzigen van horeca categorie 3 naar categorie 4. Het betreft het bieden van mogelijkheden tot dansen, het ten gehore brengen van versterkt stemgeluid en versterkte muziek. Bij het ten gehore brengen van versterkte muziek wordt het spectrum popmuziek gedraaid. Verzoeker heeft ten behoeve van zijn aanvraag geluidrapporten overgelegd opgesteld door [bedrijf] B.V., laatstelijk gewijzigd op 27 februari 2026. Met het besluit van 22 juni 2026 is tot slot ook de exploitatievergunning gewijzigd en met de omgevingsvergunning in lijn gebracht. 9. Op basis van het geluidrapport heeft het college voorschrift 1.2.2 opgenomen waarin het equivalente geluidniveau gedurende 1 minuut in het nagalmveld van de ruimte niet meer mag bedragen dan: Situatie Dagperiode 07:00 – 19:00 uur Avondperiode 19:00 – 23:00 uur Nachtperiode 23:00 – 07:00 uur Muziekgeluid (popmuziekspectrum) in de horecaruimte, met gesloten ramen en deuren 98 dB(A) 104 (dB(C) 93 dB(A) 99 (dB(C) 88 dB(A) 94 dB(C) Toetsingskader 10. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Standpunt verzoeker 11. Verzoeker betoogt dat het college de maatwerkvoorschriften voor zover deze zien op de geluidbegrenzer (voorschriften 1.2.1 tot en met 1.2.9) niet had mogen opleggen. De maximaal toelaatbare geluidniveaus zijn op basis van het geluidrapport van 27 februari 2026 verruimd. Ook zijn sinds oktober 2025 geen geluidmetingen bekend waaruit een overschrijding van de geluidnormen blijkt. Verder valt volgens verzoeker niet in te zien waarom er maatwerkvoorschriften zijn opgelegd nu hij een omgevingsvergunning heeft gekregen voor horeca categorie 4 en de exploitatievergunning ook op deze situatie zal worden aangepast. Verzoeker vindt het disproportioneel dat er aanvullende voorschriften zijn opgelegd, omdat hij al reeds maatregelen heeft getroffen, zoals het gesloten houden van deuren tijdens muziekactiviteiten, het toepassen van de sluisfunctie, plaatsing van een akoestisch gordijn, aanscherping van het deurbeleid en aanvullende toezichtmaatregelen. Ook heeft verzoeker onderzoeken naar het geluid laten verrichten. Verzoeker heeft reeds aanzienlijke kosten gemaakt om aan de geluidwaarden te voldoen. 11.1. Op zitting heeft verzoeker desgevraagd ook betoogt dat hij het niet eens is met de gedragsvoorschriften 1.1.1 en 1.1.2 voor zover hij de zijdeur tijdens het voeren van een terras dicht moet houden. Zijn bediening moet gebruikmaken van de sluisdeur, waarbij één van de deuren gesloten moet blijven. Dit is volgens verzoeker lastig uit te voeren voor de bediening. Verder wil verzoeker binnen het horecabedrijf muziek draaien tijdens het voeren van het terras, waarbij volgens hem maximaal 70 dB mogelijk is zonder overlast te veroorzaken voor de omgeving. Beoordeling 12. Het college is bevoegd om maatwerkvoorschriften voor geluid te stellen. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing of het gebruik maakt van deze bevoegdheid. Als het college deze bevoegdheid gebruikt, dan moet een belangenafweging worden gemaakt. Een maatwerkvoorschrift kan gesteld worden met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. 13. Gelet op de handhavingsgeschiedenis, het willen exploiteren en vergund krijgen van een categorie 4 horeca (zware horeca), waarbij dansen, versterkte muziek en versterkt stemgeluid is toegestaan en de gevolgen daarvan voor de (woon)omgeving heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid de maatwerkvoorschriften kunnen vaststellen. Wat verzoeker hierover in de stukken en op de zitting naar voren heeft gebracht brengt de voorzieningenrechter niet op andere gedachten. Uit de klachtenregistratie van de DCMR blijkt dat muziekgeluid vanuit het bedrijf meerdere malen tot hinder bij omwonenden heeft geleid. Om geluidhinder als gevolg van de activiteiten te voorkomen en om te borgen dat de exploitatie binnen de geluidgrenswaarden blijft heeft het college maatwerkvoorschriften vastgesteld op grond van artikel 22.45 van het omgevingsplan. Met het voorschrijven van een geluidbegrenzer wordt de naleving van de maximaal toelaatbare geluidniveaus opgenomen in artikel 22.63 van het omgevingsplan binnen het bedrijf afgedwongen. Aan de hand van deze geluidniveaus worden de omliggende woningen indirect beschermd en ondersteunen dergelijke voorschriften het toezicht en de handhaving met als doel ter voorkoming van onbedoelde hogere geluidproductie binnen het bedrijf. De voorzieningenrechter vindt het niet ondenkbaar dat bij het ontbreken van een geluidbegrenzer een aanzienlijk risico bestaat op overtreding van de in voorschrift 1.2.2 genoemde waarden. Dat verzoeker als caféhouder allerlei onderzoeken heeft moeten uitvoeren om aannemelijk te kunnen maken dat hij voldoet aan de geluidgrenswaarden is inherent aan de omstandigheid dat hij categorie 4 activiteiten in het horecabedrijf wil exploiteren. Ook de maatregelen die hij reeds heeft genomen behoren hiertoe. Het gaat om voorschriften waar verzoeker zich reeds aan heeft gecommitteerd en die zijn vastgelegd in een maatwerkbesluit. De waarden die in het maatwerkbesluit zijn opgenomen komen bovendien uit het geluidonderzoek van verzoeker zelf en zijn in bezwaar nog verruimd. Gelet hierop valt niet in te zien dat verzoeker daaraan niet kan voldoen in zijn huidige bedrijfsvoering. Wat verder zij van de kosten voor de geluidbegrenzer, vindt de voorzieningenrechter het gelet dat het gaat om popmuziekspectrum het niet vreemd dat er beperkingen worden gesteld aan het geluidniveau. 14. Op zitting is besproken dat verzoeker wordt beperkt in het gesloten houden van de deur in de zijgevel bij het voeren van het terras. Als hij in de huidige situatie muziek aan heeft staan en er gebruik wordt gemaakt van de zijdeur in verband met het terras, levert dat een overtreding op van de voorschriften zoals dat ook is geconstateerd op 28 mei 2026. Op zitting heeft de voorzieningenrechter besproken dat het college openstaat voor het aanpassen van het voorschrift voor het gebruik van de zijdeur en het terras. Daarover heeft het college op zitting terecht gesteld dat door verzoeker onderbouwd moet worden dat er alsdan in die representatieve bedrijfssituatie geen overschrijding van de geluidwaarden in artikel van 22.63 van het omgevingsplan wordt veroorzaakt. Dat kan in bezwaar nader worden onderzocht. Dat laat onverlet dat de voorzieningenrechter op dit moment geen grond ziet om de beperking van het gebruik van de zijdeur in de huidige situatie door het gestelde maatwerkvoorschrift onevenredig te achten. Als het maatwerkvoorschrift niet zou gelden voor de zijdeur dan kan de deur ongereguleerd open blijven staan. Juist op dagen dat het terras wordt gebruikt. Dan staat er niets aan in de weg dat verzoeker te veel geluid produceert. De voorzieningenrechter vindt het niet onredelijk dat het college verlangt dat het gebruik van de zijdeur onder voorwaarden wordt gereguleerd. Conclusie en gevolgen 15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker binnen de gegeven termijn de geluidbegrenzer moet installeren volgens de voorschriften van het maatwerkbesluit. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Omgevingsplan gemeente Maassluis Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; en het beschermen van het milieu, waaronder: het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het Artikel 22.44, Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en Paragraaf 22.3.2 tot en met Paragraaf 22.3.26. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en Paragraaf 22.3.2 tot en met Paragraaf 22.3.26. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in Artikel 22.42. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1. Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) […]. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3. Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) […]. Tijdelijk deel van het omgevingsplan: bestemmingsplan Binnenstad Artikel 9 Gemengd - 4 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […]; f. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 3', horecabedrijven tot en met categorie 3 van de Staat van Horeca-activiteiten, uitsluitend op de begane grond; […]. Maatwerkbesluit van 20 mei 2026 1.0 MAATWERKVOORSCHRIFTEN GELUID 1.1 Gedragsvoorschriften 1.1.1 Het ten gehore brengen van muziek mag uitsluitend plaatsvinden binnen in het pand van het bedrijf. 1 1.2 a. a) Tijdens het ten gehore brengen van muziek moeten ramen, deuren in de buitengevel(s) en binnendeuren van sluizen gesloten zijn. b) Tijdens het ten gehore brengen van muziek mag uitsluitend gebruik gemaakt worden van de sluisdeuren voor het doorlaten van personen of goederen. c) Deuren in de buitengevel(s) van het bedrijf en binnendeuren van sluizen moeten zelfsluitend zijn en mogen slechts worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 1.2 Muziekinstallaties en geluidbegrenzer (limiter) 1.2.1 Versterkt muziek- en stemgeluid mag alleen ten gehore worden gebracht via een muziekinstallatie, waarvan het geluidniveau begrensd is door een door het bevoegd gezag goedgekeurde geluidbegrenzer. De goedkeuring vindt plaats aan de hand van de informatie die met het Bewijs van afstelling en verzegeling wordt aangeleverd (zie voorschrift 1.2.3). De geluidbegrenzer moet uiterlijk 1 maand na het van kracht worden van de definitieve beschikking zijn geïnstalleerd, afgesteld en verzegeld. 1 2.2 De geluidbegrenzer moet door een akoestisch deskundige zijn geïnstalleerd, afgesteld en zijn verzegeld en wel zodanig, dat het equivalente geluidniveau gedurende 1 minuut (Leq,1 min) in het nagalmveld van de ruimte, waarin de versterkte muziek voortgebracht wordt, niet meer bedraagt dan: • 98 dB(A) resp. 104 dB(C) in de periode gelegen tussen 07:00 uur en 19:00 uur; • 93 dB(A) resp. 99 dB(C) in de periode gelegen tussen 19:00 uur en 23:00 uur; • 88 dB(A) resp. 94 dB(C) in de periode gelegen tussen 23:00 uur en 07:00 uur. 1 2.3 Uiterlijk 1 week na het afstellen en verzegelen van de geluidbegrenzer, moet aan het bevoegd gezag een “Bewijs van afstelling en verzegeling” ter goedkeuring worden aangeboden. Dit Bewijs van afstelling en verzegeling moet zijn opgesteld door de akoestisch deskundige, die de afstelling en verzegeling heeft uitgevoerd en moet tenminste de volgende gegevens bevatten: a. a) De naam van de akoestisch deskundige. b) De naam van de drijver van het bedrijf, dan wel de contactpersoon namens de drijver van het bedrijf. c) Een specificatie van de geïnstalleerde geluidbegrenzer met merk, type en serienummer. d) Een specificatie van alle binnen het bedrijf aanwezige geluidinstallaties met vermelding van merk, type en serienummers. Hierbij moeten de gegevens van zowel de elektronische componenten (versterkers, mengpanelen, etc.) als ook van de luidsprekers gespecificeerd worden. e) Een actuele overzichtstekening van het bedrijf, waarin de locatie(s) van de geluidbegrenzer en van de verschillende onderdelen van de geluidinstallatie zijn aangegeven. f) Een schema waaruit blijkt op welke wijze de geluidbegrenzer in de keten van de geluidinstallatie(s) geschakeld zijn (bijv. voor de eindversterker of na het mengpaneel). In dit schema moeten ook de onder c) en d) beschreven merk- en typegegevens vermeld worden. Tevens moet aangetoond worden, dat de begrenzer niet omzeild kan worden (bijvoorbeeld doordat de kabels van de begrenzer vast gesoldeerd zijn aan de eindversterker of met verzegelde stekkers gemonteerd zijn, die niet verwijderd kunnen worden zonder de verzegeling te verbreken). g) Technische documentatie van de geluidbegrenzer, waaruit de werking van de geluidbegrenzer en de wijze van verzegeling blijkt (bijvoorbeeld een foto van het zegel). h) De datum van afstelling en verzegeling van de geluidbegrenzer. i. i) De gebruikte meetapparatuur; de meetapparatuur moet tenminste gekalibreerd en gecertificeerd zijn conform klasse 2. j) De waarden zowel in dB(A) als in dB(C) waarop de geluidbegrenzer is afgesteld. k) Een onderbouwing waarom op deze waarden is afgesteld. 1 2.4 Het bevoegd gezag moet ten allen tijde kunnen controleren of de geluidbegrenzer in werking is. Hiertoe moet de geluidbegrenzer op een zichtbare plaats opgesteld zijn. Tevens moet in het bedrijf een exemplaar van deze maatwerkvoorschriften en van het Bewijs van afstelling en verzegeling aanwezig zijn en op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar worden getoond. 1 2.5 Het is verboden de instelling van de geluidbegrenzer te wijzigen, de aangebrachte verzegeling te verbreken of de begrenzer op enigerlei wijze te omzeilen. 1 2.6 Wijzigingen van de geluidinstallatie (en geluidbegrenzer) moeten binnen een week worden gemeld aan het bevoegd gezag. Tegelijkertijd met de wijziging moet de geluidbegrenzer opnieuw conform de voorschriften 1.2.2 en 1.2.3 afgesteld en verzegeld worden. 1 2.7 Luidsprekers moeten ten opzichte van de bouwkundige constructie zodanig zijn gemonteerd, dat geen overdracht van trillingen naar de in- en/of aanpandige woningen van derden kan plaatsvinden. 1 2.8 Tijdens een collectieve festiviteit die conform de in de Algemene Plaatselijke Verordening beschreven procedure is bepaald, zijn de geluidvoorschriften 1.1.1 en 1.2.1 t/m 1.2.6 niet van toepassing. Tijdens deze festiviteiten mag via een niet-begrensde geluidinstallatie muziek ten gehore gebracht worden. Indien hiervoor de instelling van de geluidbegrenzer gewijzigd wordt of de aangebrachte verzegeling verbroken wordt, dan moet op de eerstvolgende dag de geluidbegrenzer opnieuw conform de voorschriften 1.2.2 en 1.2.3 afgesteld en verzegeld worden. De wijziging van de instelling van de geluidbegrenzer of het verbreken van de aangebrachte verzegeling moet voordat de festiviteit plaatsvindt aan het bevoegd gezag gemeld worden. 1 2.9 Tijdens een incidentele festiviteit, die aan het bevoegd gezag is gemeld volgens de in de Algemene Plaatselijke Verordening beschreven procedure, zijn de geluidvoorschriften 1.1.1 en 1.2.1 t/m 1.2.6 niet van toepassing. Tijdens deze festiviteiten mag via een niet-begrensde geluidinstallatie muziek ten gehore gebracht worden. Indien hiervoor de instelling van de geluidbegrenzer gewijzigd wordt of de aangebrachte verzegeling verbroken wordt, dan moet op de eerstvolgende dag de geluidbegrenzer opnieuw conform de voorschriften 1.2.2 en 1.2.3 afgesteld en verzegeld worden. De wijziging van de instelling van de geluidbegrenzer of het verbreken van de aangebrachte verzegeling moet voordat de festiviteit plaatsvindt aan het bevoegd gezag gemeld worden. Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 9.1 van de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en artikel 22.280 van het omgevingsplan en artikel 9.5 van de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.45 van het omgevingsplan.