Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-27
ECLI:NL:RBROT:2026:9850
Wet WIA. Weigering WIA-uitkering, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het in de uitspraak van 3 juni 2025 geconstateerde motiveringsgebrek is hersteld met het nieuwe besluit op bezwaar van 1 juli 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de functionele mogelijkheden van eiser goed ingeschat en voldoende rekening gehouden met de medische aandoeningen van eiser. Het UWV hoefde ook niet een andere verzekeringsarts naar de zaak te laten kijken of contact op te nemen met de behandelaars van eiser. Beroep ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/6066 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. P. van Wegen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (gemachtigde: [persoon A] ). Procesverloop 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering per 14 juni 2023 (datum in geding). Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 19 oktober 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 18 april 2024 is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2. Eiser heeft beroep tegen ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 18 april 2024. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep in de uitspraak van 3 juni 2025 (met zaaknummer ROT 24/8637) gegrond verklaard en het UWV de opdracht gegeven om opnieuw op het bezwaar te beslissen. 3. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 4. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de moeder van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het besluit 5. Eiser heeft zich op 13 juli 2020 ziekgemeld voor zijn werk als teelspecialist. Op 16 april 2022 heeft eiser bij het UWV een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Vervolgens heeft er een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin de beperkingen van eiser zijn opgenomen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige in de rapportage van 11 oktober 2023 geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor het verrichten van zijn eigen werk, maar wel voor andere functies. Het loon dat daarmee verdiend kan worden ligt 31,99% lager dan het loon dat eiser met zijn eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. 6. In de bezwaarprocedure zijn er door de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aantal aanvullende beperkingen aangenomen en een verdergaande urenbeperking. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan eiser globaal 20 uur per week werken met een maximum van 24 uur per week en 6 uur per dag. De wijzigingen zijn neergelegd in de aangepaste FML van 11 april 2024. 7. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat de drie functies die waren geduid niet langer geschikt zijn vanwege de in bezwaar gewijzigde urenbeperking. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vier nieuwe functies geduid. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 32,16%. Vervolgens heeft het UWV het besluit op bezwaar van 18 april 2024 genomen. 8. Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 18 april 2024 is in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2025 gegrond verklaard, omdat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd en daarom in strijd was met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. 9. Na de opdracht van de rechtbank om opnieuw een besluit te nemen op het bezwaar van eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nadere medische rapportage opgesteld, gedateerd 18 juni 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet daarin geen aanleiding om de belastbaarheid aan te passen en heeft dat standpunt nader toegelicht. 10. In deze beroepsprocedure staat centraal of het UWV het in de uitspraak van 3 juni 2025 geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de door eiser ingediende beroepsgronden. Beoordeling door de rechtbank Is het indienen van nieuwe medische informatie in strijd met de goede procesorde? 11. Bij de beoordeling van het beroep is allereerst van belang dat de gemachtigde namens eiser op 3 juli 2026 nadere medische informatie aan de rechtbank heeft toegezonden. Uit vaste rechtspraak blijkt dat de goede procesorde grenzen stelt aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuw bewijs in te brengen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853). Of sprake is van strijd met de goede procesorde beoordeelt de rechtbank aan de hand van de volgende oriëntatiepunten: Resteert voor de overige partij(en) te weinig tijd om zich er inhoudelijk over uit te laten? Moet de zaak worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging? Het UWV heeft toegelicht dat het niet mogelijk was om zich voor of tijdens de zitting inhoudelijk over de nieuwe informatie uit te laten. Het gaat namelijk om nieuwe medische informatie die door een verzekeringsarts bekeken zou moeten worden. Zo kort voor de zitting lukte dat niet meer. Vervolgens is de vraag of de zaak vanwege deze nieuwe medische informatie moet worden aangehouden. Daarvoor is mede van belang om wat voor informatie het gaat. In dit geval gaat het om een verklaring van de afdeling Endicronologie van het Erasmus MC over een Hypocortisolistische crisis bij eiser op de datum 27 maart 2026. Die datum ligt ruim twee jaar en negen maanden na de datum in geding in deze procedure (14 juni 2023). Deze informatie geeft dus geen (nieuwe) inzichten over de mate van arbeidsongeschiktheid per de datum in geding. De rechtbank ziet daarom geen reden om de zaak vanwege die nieuwe informatie aan te houden. De nieuwe informatie zal worden betrokken bij de onderstaande beoordeling. Heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de functionele mogelijkheden van eiser goed ingeschat en zijn standpunt goed gemotiveerd? 12. Eiser betoogt in beroep dat het UWV ten onrechte zijn aanvraag om een WIA-uitkering heeft afgewezen. Daartoe voert hij aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn functionele mogelijkheden nog steeds niet op de juiste manier heeft beoordeeld. Op de volgende punten is het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet goed gemotiveerd. 12.1 De medische gevolgen van de ziekte van Cushing/Addison zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschat. De verzekeringsarts heeft er te weinig rekening mee gehouden dat eiser, in de periode nadat hij de ziekte van Cushing in 2010 voor de eerste keer had doorgemaakt, al te maken met een flinke beperking in energie en met concentratie- en geheugenbeperkingen . Dit blijkt onder meer uit het feit dat eiser vijf jaar heeft gedaan over een driejarige opleiding. Verder heeft hij tussen 2017 en 2020 wel wat kunnen werken, maar dat ging met een langzame opbouw en was van korte duur. Bovendien woonde eiser in die periode bij zijn ouders zodat er weinig verplichtingen waren tot zelfonderhoud. Daar komt bij dat eiser de ziekte van Cushing twee keer heeft doorgemaakt, waardoor hij meer langetermijnschade heeft opgelopen. Dit wordt bevestigd in de door eiser overgelegde factsheet Hypofyseaandoeningen. Daarin staat dat meer dan 28% van de patiënten met een Hypofyseaandoening 11 jaar na de behandeling nog niet kan werken. Bij de ziekte van Cushing ligt dit gemiddelde percentage nog hoger en bovendien zal dat percentage bij eiser, die de ziekte twee keer heeft doorgemaakt, nog hoger liggen. Ook neemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte aan dat er geen crises meer zijn geweest. Dat dit onjuist is blijkt onder meer uit de informatie van de endocrinoloog van 27 maart 2026. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat een crisis bij hem inhoudt dat zijn cortisonniveau te laag wordt, waardoor hij zich ziek begint te voelen. Hij moet dan medicatie innemen om dat weer te stabiliseren. Het lukt echter niet altijd om de medicatie binnen te houden, zodat het ook kan voorkomen dat eiser dan snel naar het ziekenhuis moet om via een infuus medicatie toegediend te krijgen. In de afgelopen jaren heeft eiser meerdere crises doorgemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat er daarom ten onrechte vanuit dat niet langer sprake is van de ziekte van Addison. 12.2 Daarnaast voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten als gevolg van long covid niet serieus heeft genomen. Een verslechtering van de gezondheidstoestand 1,5 jaar na een covidinfectie is wel degelijk medisch te verklaren. Dit komt vaker voor en is ontstaan door te veel werken en verkoudheid/griep. De toename van klachten, in combinatie met de ziekte van Addison, heeft geleid tot de uitval in oktober 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep legt bovendien ten onrechte een verband tussen wat de longarts schrijft over de klachten van moeheid en overprikkeling en de PDD-NOS. Dat eiser meer last had van moeheid en overprikkeling is het rechtstreekse gevolg van de long covid en heeft geen relatie met de PDD-NOS. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde nog naar voren gebracht dat er recent veel ontwikkelingen zijn op het gebied van long covid. Het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het onderzoek voldoet niet aan recente medische inzichten. 13. Het UWV heeft naar voren gebracht dat het de deskundigheid is van de verzekeringsarts om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de medische informatie van de behandelend sector betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn standpunt verder toegelicht in de medische rapportage van 18 juni 2025. Hij concludeert dat er op de datum in geding geen sprake was van hormonale ontregeling en dat de medische situatie in endocrinologisch opzicht vergelijkbaar is met hoe die was in de periode tussen 2017 en 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep neemt een urenbeperking aan van globaal 20 uur per week. Hij motiveert vervolgens uitdrukkelijk waarom hij geen aanleiding ziet voor een verdergaande urenbeperking. Bij de heroverweging is de beschikbare medische informatie betrokken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn eigen onderzoeksbevindingen, het klachtenverhaal en het dagverhaal van eiser betrokken. 14. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de ziekte van Cushing/Addison. Als uitgangspunt voor de beoordeling neemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser in de periode tussen 2017 en 2019, met 26 uur per week, een maximale arbeidsprestatie heeft geleverd. Daarmee neemt hij al een forse urenbeperking aan, die zijn basis vindt in de gevolgen van de ziekte van Cushing/Addison en de diagnose PDD-NOS. De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft in zijn rapport dat het deze combinatie van aandoeningen is die maakt dat, ook bij een stabiele endocrinologische situatie, sprake is van een verminderde inspanningstolerantie en cognitieve beperkingen. Vervolgens licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toe dat hij geen reden ziet om na de tweede hypofyse operatie toegenomen beperkingen aan te nemen, omdat uit medische informatie van de endocrinoloog van 24 februari 2023 volgt dat dat er hormonale stabiliteit werd bereikt. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in die toelichting. In het dossier bevindt zich geen medische informatie waaruit blijkt dat de beperkingen na de tweede operatie aan de hypofyse zijn toegenomen en op de datum in geding nog steeds bestonden. De door eiser aangehaalde factsheet biedt daarvoor onvoldoende concrete aanknopingspunten. Eiser noemt algemene percentages over arbeidsdeelname bij patiënten die een hypofyseaandoening hebben doorgemaakt, maar die percentages geven geen informatie over de gezondheidssituatie van eiser op de datum in geding. Voor zover eiser stelt dat zijn gezondheidssituatie de afgelopen jaren niet stabiel is geweest en zich nog meerdere keren een crisis heeft voorgedaan overweegt de rechtbank als volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn standpunt gebaseerd op medische informatie van de behandelend sector, waaruit volgt dat er eind 2022 niet langer sprake was van een hormonale disbalans. Dat er ongeveer een half jaar later op de datum in geding van 14 juni 2023 wel sprake was van hormonale disbalans blijkt niet uit het dossier. Aan de omstandigheid dat eiser in maart 2026 een Addisoncrisis heeft doorgemaakt hecht de rechtbank geen doorslaggevende betekenis, omdat die crisis in de tijd te ver verwijderd ligt van de datum in geding. Wat eiser heeft aangevoerd doet de rechtbank daarom niet twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts. 15. Over de medische beperkingen als gevolg van long covid overweegt de rechtbank als volgt. De urenbeperking is in bezwaar verder aangescherpt tot globaal 20 (maximaal 24) uur per week, vanwege de beperkingen als gevolg van long covid. In zijn rapportage van 18 juni 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht waarom hij geen verdergaande urenbeperking heeft aangenomen. Daarvoor acht hij onder meer van belang dat de doorgemaakte infectie zelf meeviel: er waren met name hoofdpijnklachten, maar geen klachten van kortademigheid. Daarnaast beschrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit het dagverhaal van eiser naar voren komt dat hij twee maal per week lichte krachttraining doet in de sportschool, zonder dat daarna duidelijk toegenomen klachten optreden. Ook heeft de verzekeringsarts meegewogen dat de plotselinge verslechtering ruim 1,5 jaar na de Covidinfectie niet medisch te verklaren is. Zo was er kort voor de uitval in oktober 2022 geen ernstige onbalans, kon eiser zelf auto rijden, naar de sportschool en zijn ouders bezoeken. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt in de aanvullende rapportage van 18 juni 2025 inzichtelijk heeft gemotiveerd. Zijn standpunt is niet dat een plotselinge verslechtering 1,5 jaar na een Covidinfectie nooit voorkomt. Wel heeft hij toegelicht dat hij voor die plotselinge verslechtering in het geval van eiser, gelet op alle informatie in het dossier, geen medische verklaring ziet. Voor zover eiser aanvoert dat de klachten als gevolg van overprikkeling zijn veroorzaakt door de long covid en niet door de PDD-NOS, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de aanvullende rapportage van 18 juni 2025 opschrijft, overweegt de rechtbank het volgende. Voorop staat dat eiser in de periode 2017-2020 al te maken had met concentratie- en geheugenbeperkingen en last had van overprikkeling. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij die klachten al had (met name door de ziekte van Cushing/Addison), maar dat deze als gevolg van long covid erger zijn geworden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening mee gehouden door een verdergaande urenbeperking op te nemen in de FML. Dat die aanscherping van de urenbeperking onvoldoende is, gelet op de klachten van eiser, blijkt onvoldoende uit het dossier. Aan de algemene en niet onderbouwde stelling van de gemachtigde tijdens de zitting dat het onderzoek van de verzekeringsarts niet voldoet aan de recente medische inzichten op het gebied van long covid gaat de rechtbank voorbij. 16. Het voorgaande betekent dat de beroepsgrond van eiser niet slaagt. Met de aanvullende rapportage van 18 juni 2025 heeft het UWV het in de uitspraak van 3 juni 2025 geconstateerde motiveringsgebrek hersteld. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om, zoals door eiser verzocht, een onafhankelijke deskundige te benoemen om een advies uit te brengen over de medische belastbaarheid van eiser. Had een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep de zaak moeten beoordelen? 17. Eiser heeft verder aangevoerd dat de zaak ten onrechte opnieuw is beoordeeld door dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep. Op die manier is volgens eiser sprake van een slager die zijn eigen vlees keurt. 18. Het UWV heeft toegelicht dat de medische aspecten in bezwaar zijn beoordeeld door een andere verzekeringsarts dan de verzekeringsarts die betrokken was bij het voorbereiden van het primaire besluit. Daarmee is gehandeld in overeenstemming met artikel 10 van het Reglement behandeling bezwaarschriften UWV. Verder is er volgens het UWV geen regel die voorschrijft dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die in bezwaar de heroverweging heeft gedaan, niet de beoordeling van medische aspecten mag doen in de beroepsprocedure. 19. De rechtbank volgt het UWV in zijn standpunt. In de bezwaarfase moet het UWV zijn eigen besluit heroverwegen. In het kader van deze heroverweging heeft een andere verzekeringsarts dan de verzekeringsarts die de aanvraag heeft beoordeeld opnieuw onderzoek gedaan en de beperkingen van eiser zelfstandig vastgesteld. Het UWV is niet verplicht om, als er vervolgens een beroepsprocedure volgt, weer een andere verzekeringsarts naar de zaak te laten kijken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Had de verzekeringsarts bezwaar en beroep contact op moeten nemen met de behandelaars van eiser? 20. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, contact op had moeten nemen met zijn behandelend artsen. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat zijn behandelend artsen dat ook prettig hadden gevonden, omdat zij dan uitleg hadden kunnen geven over de aandoeningen van eiser. 21. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat het de deskundigheid van een verzekeringsarts is om op grond van beschikbare medische gegeven de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. De medische informatie is bij de heroverweging betrokken. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende kennis had om een goede afweging te kunnen maken is niet gebleken. 22. De rechtbank overweegt dat een verzekeringsarts bij uitstek is opgeleid om, aan de hand van eigen onderzoek en met beschikbare medische informatie van de behandelend sector een inschatting te maken van beperkingen bij het verrichten van arbeid. Dat heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de zaak van eiser zorgvuldig gedaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser, dan wel dat hij onvoldoende expertise had om een goede medische heroverweging te doen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Conclusie en gevolgen 23. Het voorgaande betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de beperkingen zoals die zijn vermeld in de FML juist zijn. 24. Verder is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de in de bezwaarprocedure geselecteerde functies de mogelijkheden van eiser overschrijdt. Het inkomen dat eiser daarmee kan verdienen ligt 32,16% lager dan het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden. Omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage daarmee onder de 35% ligt, heeft het UWV terecht bepaald dat eiser met ingang van 14 juni 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering. 25. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Foppen, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026. de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen. Op grond van artikel 10, eerste lid, van het Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2024 vindt de beoordeling van de medische aspecten van bezwaar plaats door een (verzekerings-)arts Bezwaar en Beroep die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is.