Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-16
ECLI:NL:RBROT:2026:9812
RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie Zittingsplaats Rotterdam Rekestnummer: [nummer] Vonnis van 16 juli 2026 op het verzoek van [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] , verzoekster, Waar deze zaak over gaat Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] , samen met haar partner (de heer [naam 1] ), een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 22 april 2025. Dit verzoek wordt gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1 De procedure 1.1. Mevrouw [verzoekster] heeft (samen met haar partner) een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen. 1.2. Het verzoek is behandeld op de zitting van 9 juli 2026. Op de zitting zijn verschenen: - mevrouw [verzoekster] , verzoekster, - de heer [naam 1] , partner van mevrouw [verzoekster] , - de heer [naam 2] , schuldhulpverlener, - mevrouw N. Yerlikaya, beschermingsbewindvoerder. 1.3. Op 10 juli 2026 zijn, namens mevrouw [verzoekster] , aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd. 1.4. De uitspraak is bepaald op heden. 2 De beoordeling De toelating 2.1. Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan het CJIB en de Belastingdienst die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Bij het CJIB gaat het dan om WAHV-boetes. Bij de Belastingdienst gaat het om vorderingen die zien op de bijdrage zorgverzekering, kindgebonden budget, inkomstenbelasting en motorrijtuigenbelasting. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek. De rechtbank merkt in dat kader op dat mevrouw [verzoekster] in gemeenschap van goederen is getrouwd met de heer [naam 1] . Tijdens de zitting van 9 juli 2026 is verklaard dat de schulden voor zover bekend gemeenschappelijk zijn. 2.3. In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Zowel mevrouw [verzoekster] als de heer [naam 1] heeft geen onderneming meer. Mevrouw [verzoekster] heeft inmiddels ook beschermingsbewind, zodat het ontstaan van nieuwe schulden niet in de rede ligt. Mevrouw [verzoekster] is daarnaast voldoende doordrongen van de consequenties van het maken van (dergelijke) nieuwe schulden gedurende de regeling. 2.4. Verder is ter zitting nadrukkelijk met mevrouw [verzoekster] gesproken over de in de WSNP geldende verplichtingen. Expliciet is gesproken over het uitgangspunt dat een schuldenaar in de WSNP in principe fulltime moet werken. Dit kan anders zijn wanneer een schuldenaar (deels) arbeidsongeschikt is, waarbij geldt dat de mate van arbeids(on)geschiktheid moet worden vastgesteld door een arts. 2.5. Mevrouw [verzoekster] heeft blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Bij de rechtbank is dan ook voldoende vertrouwen ontstaan dat mevrouw [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. Mevrouw [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp. Bevoegdheid 2.6. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt. Duur 2.7. De rechtbank stelt de termij Nu de rechtbank niet de exacte afdrachtcapaciteit kan vaststellen, maar gelet op de inspanningen van mevrouw [verzoekster] wel aanleiding ziet om een eerdere ingangsdatum te bepalen, neemt zij een gemiddelde afdrachtcapaciteit van € 1.513,45 als uitgangspunt. Namelijk het gemiddelde van de afdrachtcapaciteit per juli 2025 (€ 1.437,59) en per januari 2026 (€ 1.589,30). Rekening houdende met die afdrachtcapaciteit en de voor de rechtbank te plaatsen afdrachten en beslagen, ziet de rechtbank aanleiding om de eerdere ingangsdatum vast te stellen op 16 september 2025. 2.13. De rechtbank stelt daarbij vast dat in de periode van het schuldhulpverleningstraject wel aan de inspanningsverplichting is voldaan. Mevrouw [verzoekster] heeft weliswaar niet fulltime gewerkt, maar zij heeft medische stukken overgelegd uit 2024, 2025 en 2026. Uit die stukken blijkt voldoende dat zij niet in staat was om fulltime te werken. 3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp 3.1. De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen). 3.2. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt. 3.3. De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. 3.4. De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan. 3.5. De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers. 3.6. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder. 3.7. De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] . 3.8. Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaa