Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-31
ECLI:NL:RBROT:2026:9810
Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en positieve weigering voor het kappen van een boom. De omgevingsvergunning voor het transformeren van een bestaande school naar woningen is terecht verleend. De omgevingsvergunning voor het kappen van een kastanjeboom is terecht geweigerd (positieve weigering), omdat het kappen van deze boom op grond van de Bomenverordening Schiedam vergunningsvrij is. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/5428 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen 1. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , 2. [eiser 4] en [eiser 5] , 3. [eiser 6] , 4. [eiser 7] , 5. [eiser 8] , 6. [eiser 9] , 7. [eiser 10] , 8. [eiser 11] , 9. [eiser 12] en [eiser 13] , 10. [eiser 14] , 11. [eiser 15] en [eiser 16] , 12. [eiser 17] en [eiser 18] , 13. [eiser 19] en [eiser 20] , 14. [eiser 21] , 15. [eiser 22] , 16. [eiser 23] , allen uit [plaats 1] , gezamenlijk te noemen: eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam , verweerder (gemachtigden: mr. T. Hoogewaard en [persoon A] ). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: - [vergunninghouder] (onderdeel van [naam bedrijf] ), vergunninghouder (gemachtigde: mr. A.M. Roepel), - [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , uit [plaats 2] , belanghebbenden (gemachtigde: mr. W. Bond-Stroek). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor transformatie van een bestaande school naar negen woningen en nieuwbouw van acht woningen op het adres [adres] te Schiedam en de weigering van een omgevingsvergunning voor het kappen van een kastanjeboom, omdat daarvoor geen vergunning nodig is. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de omgevingsvergunning voor de woningen mocht verlenen en de omgevingsvergunning voor het kappen van een kastanjeboom mocht weigeren. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning voor de woningen terecht heeft verleend en dat verweerder op goede gronden een omgevingsvergunning voor het kappen van de kastanjeboom heeft geweigerd . Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Na de ter inzagelegging van de ontwerpvergunning, heeft verweerder met het besluit van 2 juni 2025 (het bestreden besluit) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor een transformatie van een bestaande school naar negen woningen en nieuwbouw van acht woningen op het adres [adres] te Schiedam. Daarnaast heeft verweerder met het bestreden besluit een omgevingsvergunning geweigerd voor het kappen van een kastanjeboom. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Ter zitting zijn namens eisers verschenen: [eiser 1] en [eiser 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de vergunninghouder zijn verschenen: [persoon B] en [persoon C] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouder. Namens belanghebbenden is [naam bedrijf] verschenen. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht en relevante wettelijke bepalingen 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. 3.1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Vergunninghouder heeft op 29 december 2023 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het kappen van een boom voor het transformeren van een bestaande school naar negen woningen en nieuwbouw van acht woningen op het adres [adres] te Schiedam. 4.1. Het ontwerpbesluit van 5 maart 2024 strekt tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. Tegen het ontwerpbesluit hebben eisers sub 1 een zienswijze ingediend. Eisers sub 2 tot en met sub 16 hebben geen zienswijze ingediend. 4.2. Met het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft verweerder met het bestreden besluit, in afwijking van het ontwerpbesluit, een omgevingsvergunning geweigerd voor het kappen van de kastanjeboom, omdat voor het kappen van die boom op grond van artikel 3, derde lid, van de Bomenverordening Schiedam 2011 (de Bomenverordening) geen omgevingsvergunning nodig is. Ontvankelijkheid van eisers sub 2 tot en met 16 5. Het beroep van eisers sub 1 tot en met 16 is gericht tegen het bestreden besluit. Dit besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die er in voorziet dat een ontwerp van het te nemen besluit ter inzage wordt gelegd waarover belanghebbenden een zienswijze naar voren kunnen brengen. Het indienen van een zienswijze is een noodzakelijke voorwaarde om in beroep op te komen tegen een besluit dat met toepassing van artikel 3.4 van de Awb is voorbereid. 5.1. De rechtbank stelt vast dat eisers sub 2 tot en met 16 daarover geen zienswijze naar voren hebben gebracht. Niet is gebleken dat dit eisers sub 2 tot en met 16 redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb zou het beroep van eisers sub 2 tot en met 16 daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, (ECLI:EU:C:2021:7), heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 4 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8), echter overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken afdeling 3.4 van de Awb is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. 5.2. In dit geval gaat het om een omgevingsrechtelijke zaak waarin de voorbereidingsprocedure neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb is toegepast. Daarnaast hebben eisers sub 2 tot en met 16 als directe omwonenden een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit . Dit betekent dat artikel 6:13 van de Awb niet aan eisers sub 2 tot en met 16 kan worden tegengeworpen en zij ontvankelijk zijn in hun beroep. Beoordeling van de beroepsgronden met betrekking tot het kappen van de kastanjeboom 6. De kern van het geschil is gelegen in de voorgenomen kap van de kastanjeboom. Dat is volgens eisers een belangrijke, beeldbepalend boom die behouden zou moeten blijven. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door een besluit te nemen over een activiteit (het kappen van een boom) waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. De kastanjeboom is van waarde voor een gezonde leefomgeving en stedelijke biodiversiteit. Er is geen onderzoek gedaan naar alternatieven om de boom te behouden (verplaatsing, verankering, inpassing). De verwachting is gewekt dat de boom bij deze ontwikkeling behouden kan blijven, omdat de boom bij eerdere verbouwingen aan de school steeds gespaard is gebleven. Het kappen van de boom is in strijd met gemeentelijk beleid om te investeren in duurzaam groen, aldus eisers. Indien de boom toch gekapt moet worden, verzoeken eisers om compenserende maatregelen (herplant van minimaal twee volwassen bomen, een onderhoudsgarantie, een financiële bijdrage aan een buurtgroenfonds). 6.1. De aanvraag om omgevingsvergunning ziet mede op het vellen van een houtopstand (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo). Met het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor het kappen van de kastanjeboom terecht geweigerd op grond van artikel 3, derde lid, van de Bomenverordening. Op grond van deze bepaling is voor het kappen van de kastanjeboom geen omgevingsvergunning vereist, omdat de kastanjeboom met een afstand van ongeveer vier meter gesitueerd is op een afstand van minder dan tien meter van de gevel van het bijbehorende hoofdgebouw (namelijk het voormalige schoolgebouw) en het perceel waarop de boom staat beschouwd wordt als privaat eigendom, omdat het perceel niet openbaar toegankelijk is. Overigens betwisten eisers deze feiten niet. 6.2. Omdat uit artikel 3, derde lid, van de Bomenverordening rechtstreeks volgt dat er voor de aangevraagde activiteit geen vergunningplicht bestaat, is verweerder niet bevoegd daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen of te weigeren. Verweerder heeft op basis van deze zelfde bepaling van de Bomenverordening de verplichting de aanvraag voor die activiteit af te wijzen door middel van een positieve weigering. Van een onrechtmatig besluit is daarom geen sprake. De beroepsgrond van eisers op dit punt treft geen doel. 6.3. Met de positieve weigering wordt geen toestemming of een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van de boom. Het betekent alleen dat de activiteit rechtstreeks op grond van de Bomenverordening mag worden uitgevoerd. Verweerder is daarom niet bevoegd om op grond van artikel 6, eerste lid, van de Bomenverordening voorschriften aan de positieve weigering te verbinden (zoals compenserende maatregelen) of de positieve weigering onder beperkingen te verlenen. Gelet hierop kunnen eisers argumenten over het behoud van de boom in verband met een gezonde leefomgeving en stedelijke biodiversiteit, gewekte verwachtingen over het behoud van de boom, het ontbreken van onderzoek naar alternatieven voor het kappen, strijdigheid met het gemeentelijk beleid geen rol spelen in deze beroepsprocedure. De beroepsgrond slaagt niet. Beoordeling van de beroepsgronden ten aanzien van de verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening Wijziging van ondergeschikte aard 7. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat het funderingsherstel geen wijziging van ondergeschikte aard betreft, maar een ingrijpende verandering aan de draagstructuur die volledig wordt vervangen. Er moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend, omdat zulke wijzigingen een nieuw bouwplan vormen, aldus eisers sub 1. 7.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 19 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1174, r.o. 7.1) en van 21 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:717, r.o. 4.2), volgt dat de vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet per concreet geval moet worden beantwoord. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat niet meer gesproken kan worden van hetzelfde bouwplan dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. 7.2. In de memo van 14 mei 2025, waarin vergunninghouder de aanvraag voor een wijziging van ondergeschikte aard heeft gedaan, is beschreven dat het gaat om het verwijderen van de bestaande begane grondvloer, het gedeeltelijk slopen van de vloer van de bestaande kruipruimte (bodemafsluiter) ter plaatse van de toekomstige versterkte stroken van het te maken funderingsherstel, het maken van sparingen (diameter 400mm) in de bodemafsluiter ter plaatse van de positie van de nieuwe funderingspalen, het aanbrengen van in totaal 58 schroefinjectiepalen, het maken van inkassingen in de bestaande betonnen funderingsbalken ter hoogte van de gevels voor het aanbrengen van een nieuwe constructieve begane grondvloer, het maken van een nieuwe PS-isolatievloer (balken-broodjesvloer) op de nieuwe fundering ter hoogte van de begane grondvloer, inclusief wandjes ten behoeve van oplegging, het slopen van de tussentijds toegevoegde uitbouw aan de achterzijde van het hoofdgebouw, waarna een nieuwe uitbouw inclusief fundering zal worden gerealiseerd. De bestaande constructie en fundering van de kelderbak blijft gehandhaafd. 7.3. Verweerder heeft deze wijziging van het bouwplan kunnen aanmerken als een wijziging van ondergeschikte aard, omdat het funderingsherstel niet zodanig ingrijpend is ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. De wijziging van het bouwplan heeft in hoofdzaak betrekking op de bouwtechniek en wijzigt niet de uiterlijke verschijningsvorm van het oorspronkelijk vergunde bouwplan en de ruimtelijke uitstraling ervan. Ter zitting heeft verweerder over het gebruik van de 58 schroefinjectiepalen nader toegelicht dat voor deze methodiek is gekozen omdat met hiermee geen trillingshinder wordt veroorzaakt. 7.4. Gelet hierop hoefde er geen nieuwe aanvraag te worden ingediend en heeft verweerder de wijziging bij het bestreden besluit kunnen betrekken. De beroepsgrond slaagt niet. Afwijken van het bestemmingsplan ‘Oost’, verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad 8. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met de algemene verklaring van geen bedenkingen van januari 2020, maar dat de gemeenteraad voor een project van deze omvang en complexiteit een specifieke verklaring van geen bedenkingen had moeten afgeven. Nu dat niet is gebeurd heeft de gemeenteraad geen passende afweging kunnen maken, aldus eisers sub 1. 8.1. De planlocatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Oost’ (het bestemmingsplan) op gronden bestemd als ‘Maatschappelijk’. Het bouwplan is in strijd met artikel 12.1 van de planregels, omdat er woningen worden gebouwd en er dus niet wordt gebouwd ten behoeve van de bestemming volgens de planregels. 8.2. In artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat de omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken niet kan worden verleend dan nadat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. In artikel 6.5, derde lid, van het Bor is bepaald dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. De gemeenteraad van Schiedam heeft dat gedaan in artikel 2, eerste lid, van het Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Schiedam houdende regels omtrent algemene verklaring van geen bedenkingen (Algemene verklaring van geen bedenkingen Wabo 2019). Wanneer het gaat om het bouwen, verbouwen, veranderen, vergroten, uitbreiden, vervangen en/of het wijzigen van het gebruik ten behoeve van maximaal vijftig woningen, al dan niet in combinatie met commerciële ruimtes op de begane grond, is ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van voornoemd besluit geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist. Nu het bouwplan de bouw van zeventien woningen betreft valt het bouwplan onder de reikwijdte van deze bepaling en is geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist. Gesteld noch gebleken is dat de uitzonderingen genoemd in artikel 3 van voornoemd besluit, in welke gevallen voor de in artikel 2 benoemde categorieën (mogelijk) wel een verklaring van geen bedenkingen van de raad vereist is, van toepassing zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Ecologie 9. Eisers hebben aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op een quickscan Flora en Fauna van maart 2024 die ten tijde van het bestreden besluit meer dan een jaar oud was. Op grond van de Omgevingswet en de Bij12-handreiking hebben ecologische onderzoeken maximaal drie jaar geldigheid. De Quickscan van maart 2024 heeft een beperkte toetsing die niet het volledige veldwerk en de gedetailleerde analyse van een volledig ecologisch onderzoek vervangt, zodat de quickscan het ecologisch rapport uit 2021 niet kan compenseren. Verweerder had een nieuw en actueel ecologisch onderzoek moeten laten uitvoeren, nu er sinds het oorspronkelijke rapport meer dan drie jaren zijn verstreken, aldus eisers. 9.1. In de ruimtelijke onderbouwing van 17 juni 2024 wordt verwezen naar de Ecologische quickscan Schiedam Hof van Aleida van Buro Maerlant. Deze quickscan is van juni 2021 en is geactualiseerd met de quickscan van 13 maart 2024. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de quickscan zodanig is verouderd of dat zich na de totstandkoming ervan zodanige ontwikkelingen hebben voorgedaan dat verweerder het ecologisch onderzoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de quickscan blijkt dat zowel het onderzoek in 2021 als het onderzoek van 13 maart 2024 is uitgevoerd met dezelfde methode (veldonderzoek). Zo staat op pagina 8 van de quickscan update 2024 dat op 13 maart 2024 een tweede veldonderzoek is verricht om te controleren of de situatie is gewijzigd. Op basis van dat onderzoek is geconcludeerd dat het plangebied ten opzichte van 2021 weinig is veranderd. Eisers hebben geen tegenrapportage van een deskundige overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de resultaten van het uitgevoerde ecologisch onderzoek niet meer actueel zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Stikstofdepositie 10. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat er meerdere grote bouwplannen binnen een straal van één kilometer van de projectlocatie plaatsvinden (Schieveste, Glasfabriek en Peperklip) die ruim 3.000 woningen toevoegen, zodat er ook moet worden gekeken naar de cumulatieve effecten. Er moet een AERIUS-berekening worden overgelegd over de gezamenlijke stikstofdepositie, aldus eisers sub 1. 10.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1830) geoordeeld dat uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin betrokkene door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van betrokkene. 10.2. De bepalingen in de Wet natuurbeheer (Wnb) over de beoordeling van een omgevingsvergunning die gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 13 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR141) waaruit volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of dat soort verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van betrokkene, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied, aldus de Afdeling in eerstgenoemde uitspraak. Deze vaste rechtspraak betekent voor deze zaak het volgende. 10.3. De bouwlocatie en de woning van eisers sub 1 bevinden zich in het hart van het Singelkwartier in Schiedam. Het dichtst bij de bouwlocatie en de woning gelegen Natura 2000-gebied is Oude Maas op een afstand van ongeveer acht kilometer. Deze afstand tot het Natura 2000-gebied Oude Maas is volgens de rechtbank te groot om verwevenheid aan te nemen. Andere omstandigheden die kunnen leiden tot zulke verwevenheid zijn gesteld noch gebleken. Vanwege het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a Awb kunnen eisers sub 1 zich niet succesvol beroepen op schending van de bepalingen uit de Wnb die strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van wat eisers over stikstofdepositie en cumulatieve effecten hebben aangevoerd, omdat het relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat. Waterberging 11. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat door toename van verhard oppervlak, betonnen paden en mogelijke verhogingen in het terrein de afvoer van regenwater wordt belemmerd. Onder verwijzing naar de Hemelwaterverordening Schiedam 2023 hebben eisers sub 1 gesteld dat nieuwbouw voldoende waterberging moet bieden. Het ingediende gravel- en infiltratieplan voldoet daar niet aan, aldus eisers sub 1. 11.1. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de gemeente Schiedam (nog) geen hemelwaterverordening heeft aangenomen en dat er ten tijde van het bestreden besluit geen gemeentelijke verordening of andere regelgeving bestond waarin capaciteitsnormen zijn vastgelegd over hemelwaterafvoer. Anders dan eisers sub 1 hebben gesteld, blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing en de nadere toelichting in het aanvullend verweerschrift dat het oppervlak aan verharding in de nieuwe situatie juist afneemt (gedeeltelijke sloop en omzetten van versteend schoolplein naar ademend regenabsorberend terrein). Daardoor zal het risico op wateroverlast door het afstromen van hemelwater naar omliggende percelen afnemen. Bovendien voorzien het bouwplan en het inrichtingsplan in maatregelen om de situatie ten aanzien van de waterhuishouding op het perceel te verbeteren. De beroepsgrond slaagt niet. Alternatieve locaties 12. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht waarom alternatieve locaties niet geschikt zijn en waarom juist deze locatie moet worden omgebouwd. Verweerder heeft niet aangetoond waarom de zeventien extra woningen op deze specifieke locatie noodzakelijk zijn. In de nabije omgeving zijn al reeds duizenden woningen gepland. Het bouwen van de woningen tussen bestaande bebouwing met verlies van de kastanjeboom is disproportioneel en schaadt de leefomgeving van bewoners, aldus eisers sub 1. 12.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 27 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3028), volgt dat verweerder op een bouwplan moet beslissen zoals dat is ingediend. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking dwingen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn, om deze alternatieven concreet te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. Eisers sub 1 hebben geen specifieke alternatieve locaties benoemd waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De beroepsgrond slaagt niet. Geluid 13. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat permanente overschrijding dreigt van de geluidsnorm van maximaal 40 dB(A) in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, aangezien de planstukken een nachtwaarde van 45 dB(A) voor warmtepompen tonen. 13.1. De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit waar eisers sub 1 een beroep op hebben gedaan geldt voor inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Onderhavig project heeft echter betrekking op de bouw van woningen, zodat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. Onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, overweegt de rechtbank dat in afdeling 3.2. “Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw” van het Bouwbesluit 2012 normen zijn opgenomen voor warmtepompen. Uit artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 volgt dat een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau veroorzaakt van ten hoogste 40 dB, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai. Hiermee wordt de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999, internetuitgave 2004 bedoeld (zie artikel 3.11, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012). 13.2. Het vereiste geluidsniveaus van ten hoogste 40 dB is als voorschrift 10 aan de omgevingsvergunning verbonden. In de Nota van zienswijzen heeft verweerder zich in zijn reactie op de zienswijze van eisers sub 1 op het standpunt gesteld dat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de gevels van Hof van Aleida en de omliggende bebouwing als gevolg van alle warmtepompen tezamen in de opgegeven maximale stand geen overschrijding van de eisen uit het Bouwbesluit 2012 plaatsvinden, waarbij het bovendien aannemelijk is dat de buitenunits niet allemaal tegelijk in de maximale stand in gebruik zijn. Eisers sub 1 hebben in hun zienswijze enkel gesteld dat zij vrezen voor geluidhinder van de warmtepompen; zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand duidelijk is dat vergunninghouder niet aan het vergunningvoorschrift 10 zal kunnen voldoen. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank wijst er op dat een eventuele overschrijding van dat vergunningvoorschrift een kwestie van handhaving is. Parkeren 14. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan de norm van 1,2 parkeerplaatsen per woning plus 0,2 bezoekersplaats volgens het facetbestemmingsplan Parkeren. De mobiliteits- en parkeerdruk zijn volgens eisers sub 1 onvoldoende onderzocht. 14.1. In artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Facetbestemmingsplan Parkeren is bepaald dat het gebruik van gronden, waaronder tevens wordt verstaan het oprichten van een gebouw, verandering van een functie en uitbreiding of wijziging van bestaand gebruik, slechts is toegestaan indien op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Blijkens de toelichting op het Facetbestemmingsplan Parkeren wordt de parkeerbehoefte bepaald op basis van de als beleidsregels vastgestelde parkeernormen. In de planregels is bepaald dat, indien de parkeernormen worden gewijzigd, rekening moet worden gehouden met de nieuw vastgestelde parkeernormen. Op grond van overgangsrecht in de Mobiliteitsnormen 2022 heeft verweerder de parkeernormen toegepast die zijn neergelegd in de op 22 augustus 2017 door verweerder vastgestelde nota Parkeernormen en Mobiliteitsmanagement 2017. Op grond van deze nota is de parkeernorm voor woningen, zoals de te bouwen woningen, die gelegen zijn in het deelgebied ‘schil, gereguleerd’ parkeren 0,7 parkeerplaats per wooneenheid. Verder kan op grond van deze nota, in geval van verbouw en herbestemming, leegstand, sloop en nieuwbouw, de parkeerdruk die de oude functie opriep afgetrokken worden van de parkeerdruk die de nieuwe functionaliteit oproept. 14.2. Verweerder heeft de parkeerbehoefte die de nieuwe ontwikkeling op het perceel met zich brengt, overeenkomstig deze nota vastgesteld op 11,9 parkeerplaatsen. Dat zijn de parkeerplaatsen die nodig zijn voor de woonfunctie van in totaal zeventien woningen. Zo heeft verweerder de zes parkeerplaatsen die nodig waren voor de oude schoolfunctie op het perceel – en die in openbaar gebied voorzien waren – met toepassing van het parkeerbeleid in mindering gebracht op de benodigde 11,9 parkeerplaatsen. Daarnaast heeft verweerder rekening gehouden met het gebruik van twee elektrische deelauto’s waarvoor twee parkeerplaatsen worden voorzien. De bewoners van de nieuwe woningen komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning op straat (wat contractueel geregeld is) en bezoekers kunnen gebruik maken van betaalde openbare parkeervoorzieningen in de nabijgelegen binnenstad. Verder heeft verweerder rekening gehouden met (deel)fietsen en (deel)scooters en met de nabijheid van openbaarvervoersvoorzieningen. 14.3. Het ontbreken van een zelfstandig onderzoek naar de parkeerdruk geeft geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank betrekt hierbij dat het gaat om een kleine binnenstedelijke ontwikkeling van zeventien woningen in de nabijheid van openbaar vervoer. Bovendien zijn deze woningen niet gericht op huishoudens met een hoger autobezit. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers sub 1 niet, met bijvoorbeeld een rapportage van een verkeersdeskundige, hebben onderbouwd dat de parkeerdruk in de wijk door de nieuwe ontwikkeling te hoog wordt. De beroepsgrond slaagt niet. Stof en hinder 15. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat in de omgevingsvergunning geen maatregelen zijn opgenomen tegen stof en hinder, terwijl in artikel 8.1 en artikel 8.5 van het Bouwbesluit staat dat het verplicht is zichtbare stofverspreiding buiten het terrein te voorkomen en hinder te beperken. Eisers sub 1 vrezen voor (gezondheids)risico’s, aangezien hun tuin op minder dan drie meter van de sloopzone is gelegen. 15.1. Zoals verweerder in het aanvullend verweerschrift heeft toegelicht is in de omgevingsvergunning opgenomen dat vergunninghouder verplicht is een sloopveiligheidsplan en een bouwveiligheidsplan in te dienen. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat de reguliere voorwaarden ter beperking van hinder voor de omgeving van toepassing zijn en dat de aannemer bij de uitvoering gebonden is aan diverse relevante wet- en regelgeving. Wanneer daaraan niet wordt voldaan kunnen eisers een verzoek om handhaving indienen, aldus verweerder. De rechtbank acht deze toelichting afdoende. De beroepsgrond slaagt niet. Participatie 16. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat er onvoldoende invulling is gegeven aan de participatie-eisen van artikel 4.1 en artikel 4.2 van de Omgevingswet. 16.1. Het op deze omgevingsvergunning toepasselijke recht van de Awb en de Wabo voorziet niet in een verplichting tot inspraak of participatie. Een dergelijke vorm van participatie mocht daarom niet worden gevergd. De beroepsgrond slaagt niet. Overige beroepsgronden 17. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat het recht op een zorgvuldige belangenafweging onvoldoende is gewaarborgd en verweerder niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 3:46 van de Awb door niet alle argumenten die in de zienswijze naar voren zijn gebracht individueel en inhoudelijk te behandelen. 17.1. Uit de nota van zienswijzen van 6 mei 2025 blijkt niet dat verweerder heeft verzuimd argumenten uit de zienswijze individueel en inhoudelijk te behandelen. Eisers sub 1 hebben ook niet nader geconcretiseerd op welke argumenten uit de zienswijze verweerder niet is ingegaan. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de realisatie van de zeventien woningen in stand blijft en dat er geen omgevingsvergunning nodig is voor de kap van de kastanjeboom. 19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verzoek om schadevergoeding 20. Indien de omgevingsvergunning in stand blijft, vorderen eisers sub 1 een schadevergoeding wegens waardedaling aan hun woning door verlies van groen en schaduw, verlies van bescherming tegen hittestress, extra onderhoudskosten ten gevolge van stof, water en windbelasting, gezondheidsschade door verhoogde blootstelling aan fijnstof, stikstofdioxide en bouwlawaai. 20.1. Daargelaten dat eisers de hoogte van de gestelde schade niet hebben onderbouwd, is niet gebleken van schade als gevolg van één van de in artikel 8:88 van de Awb genoemde omstandigheden. Zoals onder 19. is geconcludeerd is het beroep van eisers sub 1 ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Hiermee staat vast dat het bestreden besluit een rechtmatig besluit is. Omdat artikel 8:88 van de Awb (voor zover hier van belang) alleen ruimte biedt voor een schadevergoeding op grond van een onrechtmatig besluit, is er in deze zaken in zoverre geen recht op vergoeding van schade. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: wettelijke bepalingen Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb: Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Artikel 6:13 van de Awb: Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Artikel 8:1 van de Awb: Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […]. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet; b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet; c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, […], tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; […]. Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo: In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3°, van de Wabo: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Besluit omgevingsrecht (Bor) Artikel 6.5, eerste lid, van het Bor: Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is. Artikel 6.5, derde lid, van het Bor: De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. Bouwbesluit 2012 Artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012: Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai. Artikel 8.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012: De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen Artikel 8.5 Bouwbesluit 2012: Tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- of sloopterrein te voorkomen. Bestemmingsplan Oost 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. ‘kerk’, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘religie’; c. dierenambulancepost, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk-1’; d. wonen, uitsluitend op de verdieping, ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’; met daarbij behorende: e. tuinen en erven; f. ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen; g. groenvoorzieningen; h. waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen. 12.2 Bouwregels Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, […]. Bomenverordening Schiedam 2011 Artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening Schiedam 2011: Het is verboden zonder (omgevings-)vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen, onverminderd het gestelde in artikel 2 lid 1. Artikel 3, derde lid, van de Bomenverordening Schiedam 2011: Onverminderd het gestelde in artikel 2 lid 1, geldt het eerste lid gestelde verbod niet voor houtopstand dat zich bevindt op een perceel in privaat eigendom binnen een straal van 10 meter uit de gevel van een op dat perceel aanwezig pand. Dat volgt uit artikel 6:13 van de Awb. Zie artikel 6:13 van de Awb. Zie artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.